De rechtbank Amsterdam behandelde op 11 mei 2022 de vordering tot overlevering van een Poolse verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door een Poolse rechtbank. De verdachte werd verdacht van mishandeling en vernieling, waarvoor hij in Polen tot gevangenisstraffen van telkens één jaar was veroordeeld.
De verdediging voerde aan dat de verdachte niet in persoon was verschenen bij een van de processen en niet tijdig was geïnformeerd over de zitting, wat een weigeringsgrond zou vormen. De rechtbank oordeelde echter dat de oproep naar het opgegeven adres was gestuurd en dat de verdachte op de hoogte was van het proces, mede gelet op zijn eerdere bekentenis en vrijwillige onderwerping aan de straf.
Daarnaast stelde de verdediging dat de verdachte reeds in 2015 voorwaardelijk was vrijgelaten en dat hij gelijkgesteld kon worden met een Nederlander vanwege vijf jaar ononderbroken verblijf, zodat overlevering geweigerd zou moeten worden. De rechtbank vond de overgelegde stukken onvoldoende om het verblijf te bevestigen en verwierp dit verweer.
De rechtbank concludeerde dat aan de voorwaarden van de Overleveringswet was voldaan, geen weigeringsgronden van toepassing waren en dat de overlevering toegestaan moest worden. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.