Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2022:3706

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 april 2022
Publicatiedatum
30 juni 2022
Zaaknummer
13-011740-21 (B)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis Wetboek van StrafrechtArt. 420ter Wetboek van StrafrechtArt. 47 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs witwassen geldbedragen in onderzoek Ketchikan

Verdachte werd beschuldigd van het witwassen van twee geldbedragen, te weten €266.000,- en €15.514,-, in de periode van 2017 tot 2020 in Amsterdam. De officier van justitie stelde dat deze bedragen niet uit legale inkomsten konden stammen en eiste een gevangenisstraf van 18 maanden. Verdachte heeft geen verklaring afgelegd.

De verdediging voerde aan dat er geen wettig en overtuigend bewijs was dat verdachte de bedragen heeft verworven, voorhanden had of gebruikt. De rechtbank oordeelde dat er geen rechtstreeks verband kon worden gelegd tussen de geldbedragen en een bepaald misdrijf, en dat er geen gerechtvaardigd vermoeden van witwassen bestond. De foto met het geld was gevonden op de telefoon van de ex-partner, zonder bewijs van betrokkenheid van verdachte.

De rechtbank sprak verdachte vrij van het tenlastegelegde witwassen. Tevens werd de inbeslaggenomen PGP-telefoon teruggegeven aan verdachte. Dit vonnis is een eindbeslissing op de tenlastelegging betreffende het feit 4 in het onderzoek Ketchikan.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van witwassen wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS
Parketnummer: 13-011740-21 (B)
Datum uitspraak: 26 april 2022
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 4 april 2022, 11 april 2022 en 13 april 2022.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt van de officieren van justitie, mrs. A. Kramer en A.J.S. Visser (hierna gezamenlijk: de officier van justitie), en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.J.M. van Roy, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is - na aanpassing op de zitting - onder andere ten laste gelegd dat:
4.
hij, op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2020, te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) een of meer voorwerp(en), te weten (onder meer) een of meer geldbedrag(en), te weten 266.000,- euro en/of 15.514,- euro, althans enig geldbedrag, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van een of meer van die voorwerpen gebruik heeft gemaakt, en/of (telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie die voorwerpen voorhanden had, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en verdachte en/of zijn mededader(s) van het plegen van dit feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt.
(artikel 420bis/ter jo 47 Wetboek van Strafrecht)
(AD relaas p. 67)

3.Splitsing tenlastegelegde feiten

In het onderzoek Ketchikan zijn in totaal 11 verdachten gedagvaard. De rechtbank heeft op 4 april 2022 de tenlasteleggingen voor de feiten 1, 2 en 3 nietig verklaard in de zaken van medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en de feiten 1 en 2 van de medeverdachte [medeverdachte 6]. In die zaken is daarmee een eindvonnis gewezen. Aan verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 7], [medeverdachte 8], [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] zijn naast de feiten 1, 2 en 3 nog één of meer andere feiten ten laste gelegd. De rechtbank heeft op 4 april 2022 bij wijze van tussenbeslissing ook voor deze verdachten de tenlasteleggingen ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 nietig verklaard.
Aan verdachte zijn, na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging op de zitting van 4 april 2022, vier feiten ten laste gelegd. De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 11 april 2022 splitsing gevorderd van de feiten 1, 2 en 3 enerzijds en feit 4 anderzijds. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat splitsing in het belang is van het onderzoek, namelijk: een zo gering mogelijke vertraging in de afdoening van feit 4, en de gelijktijdige afdoening van de feiten 1, 2 en 3 voor alle 11 verdachten in de zaak Ketchikan.
De verdediging heeft zich verzet tegen splitsing omdat de officier van justitie op de zitting van 4 april 2022 het standpunt heeft ingenomen dat de zaken zo verknocht zijn dat deze bij elkaar moeten blijven. Daar is de verdediging het mee eens. Het openbaar ministerie heeft onvoldoende materiële argumenten naar voren gebracht voor splitsing. Daarnaast is duidelijkheid voor verdachte van belang en dat de feiten niet op verschillende momenten bij verschillende instanties worden behandeld.
De rechtbank is van oordeel dat een gevoegde behandeling van de feiten 1, 2 en 3 enerzijds en feit 4 anderzijds niet in het belang is van het onderzoek. De verdenking met betrekking tot feit 4 is weliswaar ontstaan naar aanleiding van het onderzoek Ketchikan, maar dit feit heeft geen rechtstreeks verband met de uit dit onderzoek voortvloeiende feiten 1, 2 en 3. Het is in het belang van het onderzoek dat de feiten 1, 2 en 3 voor alle 11 verdachten op dezelfde wijze en op hetzelfde moment worden behandeld. Daarom zal de rechtbank de feiten 1, 2 en 3 splitsen van feit 4, waarbij de tenlastelegging met de feiten 1, 2 en 3 wordt aangeduid met ‘13-011740-21 (A)’ en de tenlastelegging met feit 4 wordt aangeduid met ‘13-011740-21 (B)’. De rechtbank neemt in dit vonnis een eindbeslissing op de tenlastelegging 13-011740-21 (B), zoals hierboven onder 2 opgenomen. In een afzonderlijk vonnis van heden beslist de rechtbank op de tenlastelegging 13-011740-21 (A).

4.Vrijspraak

4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde en gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest. Daartoe heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd.
Ondanks dat de jaarlijkse inkomsten van verdachte en zijn partner mevrouw [persoon] onder het bedrag lagen dat jaarlijks gemiddeld genomen voor hen nodig was om in de kosten van hun levensonderhoud te voorzien, werd in de tenlastegelegde periode voor € 15.514,- uitgegeven aan online casinobezoek en beschikte verdachte blijkens foto’s op de telefoon van zijn partner over ingesealde pakken met geld ter waarde van € 266.000,-. Daar komt bij dat verdachte in de tenlastegelegde periode betrokkenheid lijkt te hebben bij handelshoeveelheden drugs, er in 2020 voor € 7.015,- aan contante stortingen op de bankrekening van zijn partner zijn gedaan en de grootste kostenposten voor levensonderhoud vanaf de zomer van 2017 niet meer vanaf de bankrekeningen betaald worden terwijl dat daarvoor wel zo was. Verdachte heeft geen verklaring afgelegd. Aangenomen moet worden dat de gelden niet afkomstig kunnen zijn uit legale inkomsten. Daarom kan het witwassen worden bewezen. De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het maken van een gewoonte van het witwassen en van het medeplegen daarvan.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde en daartoe het volgende aangevoerd. Op grond van het dossier kan niet wettig en overtuigend worden vastgesteld dat verdachte het geldbedrag op de foto in de telefoon van zijn ex-partner – ervan uitgaande dat het daadwerkelijk geld is wat op de foto is te zien – op enig moment in zijn machtssfeer heeft gehad, en dus verworven heeft, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet of gebruikt. Hij moet daarom worden vrijgesproken van het witwassen van € 266.000,-. Dit geldt ook voor het bedrag van € 15.514,-, dat voorkomt op de bankrekening van de ex-partner van verdachte. Niet alleen ontbreekt het bewijs dat dit bedrag witgewassen zou zijn, maar ook is er een gebrek aan bewijs voor enige betrokkenheid van verdachte bij dit bedrag.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het tenlastegelegde niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Witwassen kan bewezen worden verklaard wanneer op grond van de beschikbare bewijsmiddelen een rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf waaruit de betreffende voorwerpen (waaronder geldbedragen) afkomstig zijn. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als uit het door het Openbaar Ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.
Op grond van de beschikbare bewijsmiddelen valt geen rechtstreeks verband te leggen tussen het tenlastegelegde geldbedrag en een bepaald misdrijf. Daarom dient eerst de vraag te worden beantwoord of er sprake is van een vermoeden van witwassen. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend.
Verdachte wordt ervan beschuldigd twee bedragen, € 266.000,- en € 15.514,-, te hebben witgewassen. Het eerste bedrag is gebaseerd op een foto in de telefoon van zijn ex-partner, mevrouw [persoon], en het tweede bedrag zou afkomstig zijn van online gokken en op de rekening van zijn ex-partner hebben gestaan. De rechtbank is van oordeel dat dit onvoldoende is om een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen ten aanzien van verdachte aan te kunnen nemen. De telefoon met daarin de foto is onder mevrouw [persoon] in beslag genomen, die hier niet over is bevraagd. Van een link tussen verdachte en deze telefoon is niet gebleken. Een onderzoek naar de gebruiker van de telefoon heeft niet plaatsgevonden. Ook is niet gebleken van enige wetenschap van verdachte van de foto of het vermeende geld. Nergens blijkt immers uit dat verdachte op de hoogte was van het bestaan van die foto, laat staan van het vermeende geld. Het is niet onderzocht of nauwkeurig vastgesteld of het hier daadwerkelijk om geld ging en om precies welk bedrag. Voor zover op de foto geld zichtbaar is, rechtvaardigt dit ten aanzien van verdachte dus niet een vermoeden van witwassen met betrekking tot het bedrag van € 266.000,-, of enig ander bedrag. Hetzelfde geldt voor het bedrag van € 15.514,-, aangezien dit op de rekening van mevrouw [persoon] stond en een link tussen verdachte en dit bedrag evenmin is vastgesteld. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte van het witwassen van beide geldbedragen moet worden vrijgesproken.

5.Beslag

Blijkens de lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen (beslaglijst) van 13 februari 2022 is onder verdachte het volgende voorwerp in beslag genomen:
1. 1 STK GSM (Omschrijving: G6016535; PGP telefoon)
De rechtbank is van oordeel dat de telefoon teruggegeven kan worden aan verdachte.

6.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Gelast de teruggave aan verdachte van het voorwerp op de beslaglijst, te weten:
1. 1 STK GSM (Omschrijving: G6016535; PGP telefoon).
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.H. Marcus, voorzitter,
mrs. C.P. Bleeker en M. Smit, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.F. Coşkun, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 april 2022.