De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek van de Duitse autoriteiten om toestemming te verlenen voor uitbreiding van de vervolging van een overgeleverde persoon. Dit verzoek betrof feiten die vóór de overlevering waren gepleegd en waarvoor de persoon niet was overgeleverd.
De rechtbank onderzocht of de overgeleverde persoon de mogelijkheid had gehad om zijn opmerkingen en bezwaren kenbaar te maken over dit verzoek, zoals vereist door het specialiteitsbeginsel en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Hoewel de overgeleverde persoon op 24 februari 2022 is gehoord, bleek uit het proces-verbaal dat hij alleen heeft verklaard geen afstand te doen van het specialiteitsbeginsel, zonder dat hij de gelegenheid kreeg om zijn standpunten over de uitbreiding van de vervolging volledig te uiten.
De rechtbank concludeerde dat hiermee niet was voldaan aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming en hoorrecht. Daarom kon zij het verzoek niet toewijzen zonder de rechten van verdediging te schenden. De rechtbank wees het verzoek af, met de mogelijkheid voor de Duitse autoriteiten om een nieuw verzoek in te dienen zodra aan de hoorrechtvereisten is voldaan.