ECLI:NL:RBAMS:2022:3958

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 juli 2022
Publicatiedatum
11 juli 2022
Zaaknummer
13/016759-20
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na diefstal met geweld van kostbaar horloge

De rechtbank Amsterdam behandelde de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €9.000, voortvloeiend uit een diefstal met geweld gepleegd door veroordeelde en een onbekende mededader. Het betreft een exclusief horloge van het merk Patek Philippe met een dagwaarde van €30.000, dat niet is teruggevonden en vermoedelijk in het criminele circuit is verkocht.

De officier van justitie stelde dat het horloge in het criminele circuit circa 60% van de dagwaarde oplevert, wat neerkomt op €18.000. De verdediging betoogde dat een lager percentage van 20% passend zou zijn, verwijzend naar jurisprudentie over sieraden en horloges. De rechtbank oordeelde echter dat vanwege de exclusiviteit en populariteit van het horloge het hogere percentage van 60% reëel is.

Vervolgens werd een gelijke verdeelsleutel toegepast tussen veroordeelde en de onbekende mededader, waardoor het toe te rekenen wederrechtelijke voordeel aan veroordeelde €9.000 bedraagt. De rechtbank legde de verplichting op om dit bedrag aan de Staat te betalen en bepaalde een maximale gijzelingstermijn van 180 dagen. Dit vonnis volgt op een eerdere veroordeling voor diefstal met geweld, waarbij het hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard.

Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €9.000 aan de Staat als wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS
Parketnummer: 13/016759-20 (ontneming)
Datum uitspraak: 6 juli 2022
Tegenspraak (gemachtigd raadsman)
Verkort vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr), in de zaak behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/016759-20, tegen:
[veroordeelde], hierna te noemen veroordeelde,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres] ,
nu UAH gedetineerd in [detentieplaats] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie van 3 januari 2022, het door de verdediging ingediende schriftelijk stuk en het onderzoek op de terechtzitting van 22 juni 2022, waarbij ook mr. C. Crince Le Roy als raadsman van veroordeelde aanwezig was.

2.Vordering

De vordering van de officier van justitie van 3 januari 2022 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een bedrag van € 9.000,00.
Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, begrijpt de rechtbank de vordering zo dat deze betrekking heeft op het onder 1 bewezenverklaarde feit waarvoor veroordeelde in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.

3.Grondslag van de vordering

Veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 juli 2020 onder meer veroordeeld voor het navolgende strafbare feit.
Feit 1
diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld, tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld. Veroordeelde is door het gerechtshof in Amsterdam op 20 januari 2021 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

4.Wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting, onder verwijzing naar de berekeningen in de onderbouwing van de ontnemingsvordering van 3 januari 2022, op het standpunt gesteld dat het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op
€ 9.000,00.
De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat de dagwaarde van het bij de diefstal weggenomen horloge moet worden vastgesteld op € 30.000,00. Nu het horloge niet is aangetroffen of teruggevonden en veroordeelde daar geen duidelijkheid over heeft gegeven, stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat het horloge is doorverkocht in het criminele circuit. De opbrengst in het criminele circuit moet – anders dan voorheen in de rechtspraak is vastgesteld [1] – worden geschat op 60 procent van de dagwaarde, gelet op de toegenomen populariteit, hoge prijzen en criminaliteit omtrent dergelijke luxe horloges. Tot slot heeft de officier van justitie bij de verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel rekening gehouden met de rol van de onbekende mededader en aangevoerd dat een verdeelsleutel op basis van gelijke verdeling moet worden toegepast.
4.2.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft ter terechtzitting, onder verwijzing naar zijn schriftelijk standpunt, bepleit dat bij de berekening van het voordeel een te hoog opbrengstpercentage is toegepast. De raadsman heeft verwezen naar een arrest van de Hoge Raad waarbij een percentage van
20 procent is gehanteerd van de inkoopwaarde van sieraden, horloges en andere kostbare voorwerpen [2] . De raadsman heeft verzocht uit te gaan van dat percentage ter bepaling van de waarde van het bij de diefstal weggenomen horloge in het criminele circuit. Rekening houdend met de rol van de onbekende mededader bij de verdeling van het wederrechtelijk voordeel, komt de raadsman daarmee op een te ontnemen bedrag van € 3.000,00.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
Dagwaarde
De rechtbank is van oordeel dat, in lijn met wat door de officier van justitie naar voren is gebracht en door de verdediging niet is betwist, de geschatte dagwaarde van het bij de diefstal weggenomen horloge van het merk Patek Philippe kan worden vastgesteld op het bedrag van € 30.000,00, zoals blijkt uit de bij het proces-verbaal van aangifte gevoegde factuur.
Opbrengstpercentage
De rechtbank gaat, anders dan de raadsman, bij de vaststelling van de waarde van het horloge in het criminele circuit uit van een percentage van 60 procent van de vastgestelde dagwaarde. In de onderhavige zaak gaat het om een kostbaar en waardevast horloge van een exclusief merk. Gelet op de toegenomen populariteit, hoge prijzen en criminaliteit omtrent dergelijke dure merkhorloges is het aannemelijk dat veroordeelde en de onbekende mededader het horloge in het criminele circuit voor een aanzienlijk bedrag hebben kunnen verkopen. De rechtbank vindt daarom een percentage van minimaal 60 procent van de vastgestelde dagwaarde een reële opbrengst van het bij de diefstal weggenomen horloge. Het door de raadsman aangehaalde arrest leidt niet tot een ander oordeel, omdat het in de aangehaalde zaak niet uitsluitend ging om de waarde van dure horloges van exclusieve merken, maar ook om gewone sieraden en andere kostbare voorwerpen.
De rechtbank stelt vast dat de opbrengst in het criminele circuit (60 procent van € 30.000,00) € 18.000,00 bedraagt.
Verdeelsleutel
De rechtbank zal uitgaan van een verdeelsleutel op basis van gelijke verdeling tussen veroordeelde en de onbekende mededader, nu aanwijzingen bestaan dat zij samen van het strafbare feit hebben geprofiteerd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er onvoldoende aanknopingspunten voorhanden voor een afwijkende verdeelsleutel tussen veroordeelde en de onbekende mededader.
Wederrechtelijk verkregen voordeel
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde door middel van of uit de baten van voornoemd strafbaar feit wederrechtelijk voordeel heeft verkregen dat de rechtbank schat op een bedrag van € 9.000,00, nu overigens niet is gebleken dat verdachte kosten heeft gemaakt met betrekking tot het bewezenverklaarde feit.
De rechtbank ontleent deze schatting aan de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5.Verplichting tot betaling

De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op grond van al het voorgaande op € 9.000,00.
6. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

7.Beslissing

De rechtbank komt op grond van al het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 9.000,00.
Legt op aan
[veroordeelde], de verplichting tot betaling van € 9.000,00 (negenduizend euro) aan de Staat.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 180 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Overbosch, voorzitter,
mrs. J. Thomas en A.R. Vlierhuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L. Tal, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 juli 2022.

Voetnoten

1.Hof Amsterdam 26 januari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:166.
2.Hoge Raad 14 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9127.