Uitspraak
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING AMSTERDAM,
1.Het verloop van de procedure
.
Rechtbank Amsterdam
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om het gezag van de moeder over haar minderjarige kind te beëindigen en de GI tot voogd te benoemen, vanwege zorgen over huiselijk geweld, verwaarlozing en onvoorspelbaar gedrag van de ouders. De minderjarige woont sinds november 2019 vrijwillig bij haar grootouders, die tevens pleegouders zijn.
De Raad baseerde het verzoek op een rapport waarin werd gesteld dat het kind vaak getuige was van huiselijk geweld en onvoldoende bescherming en veiligheid kreeg van de ouders. De pleegouders boden een stabiele en veilige omgeving. De moeder en vader hebben wel stappen gezet om hun situatie te verbeteren, maar communicatieproblemen blijven bestaan.
De rechtbank constateerde dat de situatie bij de ouders de afgelopen zes maanden aanzienlijk is verbeterd en dat de moeder volledig meewerkt. De rechtbank oordeelde dat beëindiging van het gezag een disproportionele inbreuk zou zijn op het gezinsleven en niet noodzakelijk is voor het belang van het kind. Het verzoek werd daarom afgewezen. De rechtbank adviseert de Raad een verzoek tot ondertoezichtstelling met machtiging uithuisplaatsing in te dienen om het verblijf bij de pleegouders juridisch te formaliseren.
Uitkomst: Het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder over de minderjarige wordt afgewezen.