De rechtbank Amsterdam behandelde de vordering tot overlevering van een verdachte aan Polen op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Regional Court in Bydgoszcz. Het EAB betreft een strafrechtelijk onderzoek naar fraude, een feit dat volgens de Overleveringswet (OLW) onder de bijlage 1 valt, waardoor onderzoek naar dubbele strafbaarheid achterwege blijft.
De verdachte verbleef reeds drie maanden in overleveringsdetentie in Nederland en had daarnaast beperkende schorsingsvoorwaarden. Zijn raadsvrouw voerde aan dat de overlevering onevenredig zou zijn vanwege de aard van het feit en de duur van de detentie. De rechtbank oordeelde echter dat het stelsel van de OLW en het Kaderbesluit 2002/582/JBZ primair aan de uitvaardigende autoriteit is om de evenredigheid te toetsen en dat uitzonderlijke omstandigheden voor weigering ontbraken.
Verder erkende de rechtbank dat er in Polen structurele problemen zijn met het recht op een eerlijk proces, maar concludeerde dat de verdachte onvoldoende concrete aanwijzingen had geleverd dat deze problemen zijn zaak individueel zouden beïnvloeden. Gezien het voldoen aan de wettelijke eisen en het ontbreken van weigeringsgronden, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan.
De uitspraak is definitief en staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open. De beslissing werd genomen door mr. M. van Mourik, voorzitter, en rechters A.J. Scheijde en R. Godthelp op 12 juli 2022.