De rechtbank Amsterdam behandelde de vordering tot overlevering van een persoon aan Polen op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Lublin. Na eerdere tussenuitspraak en meerdere verlengingen van de beslistermijn, werd de zaak op 28 juni 2022 voortgezet en op 12 juli 2022 beslist.
De rechtbank bevestigde de identiteit van de opgeëiste persoon en verwees naar haar eerdere tussenuitspraak van 2 december 2021, waarin werd vastgesteld dat het onderzoek naar dubbele strafbaarheid achterwege kan blijven omdat de feiten op de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet staan. Verweren van de raadsman werden afgewezen, waaronder het onschuldverweer en bezwaren op grond van artikelen 6 en 11 OLW.
Hoewel de rechtbank erkent dat er structurele en fundamentele gebreken zijn in de Poolse rechtsorde die het recht op een eerlijk proces kunnen bedreigen, concludeert zij dat de opgeëiste persoon geen concreet individueel gevaar heeft aangetoond. Daarom staat de rechtbank de overlevering toe, aangezien het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en er geen andere weigeringsgronden zijn.
De beslissing is definitief en er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open. De uitspraak is gebaseerd op de artikelen 2, 5, 7, 11 en 13 van de Overleveringswet en relevante jurisprudentie van het HvJ EU.