Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2022:4134

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 juli 2022
Publicatiedatum
19 juli 2022
Zaaknummer
22/1303
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig besluit op Wob-verzoek over World Economic Forum

Eiser heeft op 6 december 2021 een verzoek ingediend op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) met betrekking tot informatie over het World Economic Forum. Dit verzoek is niet tijdig door verweerder behandeld, waardoor eiser op 7 maart 2022 beroep instelde wegens het niet tijdig nemen van een besluit.

De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden en dat eiser verweerder in gebreke heeft gesteld, waarna het beroep gegrond is verklaard. Verweerder heeft aangegeven dat het verzoek betrekking heeft op een grote hoeveelheid documenten en wilde in overleg met eiser de omvang van het verzoek beperken. Een gepland gesprek werd echter kort voor aanvang geannuleerd.

De rechtbank acht de omstandigheden niet bijzonder en wijst erop dat de beslistermijn ruim zeven maanden is overschreden en eerdere toezeggingen niet zijn nagekomen. Daarom wordt verweerder opgedragen binnen 14 dagen na verzending van het vonnis alsnog een besluit te nemen.

Daarnaast wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €15.000 voor het geval de termijn niet wordt nageleefd. Verweerder moet tevens het betaalde griffierecht van €184 aan eiser vergoeden. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken verzet worden ingesteld.

Uitkomst: Verweerder wordt opgedragen binnen 14 dagen een besluit te nemen onder dreiging van een dwangsom en moet het griffierecht vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 22/1303

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,
en

het ministerie van Algemene Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. J.R. Groen),

Procesverloop

Eiser heeft met de brief van 4 maart 2022, door de rechtbank ontvangen op 7 maart 2022, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere standpunten ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [1] Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [2]
3. Artikel 10.1 van de Wet open overheid (hierna: Woo) bepaalt dat de Wob wordt ingetrokken. Er is niet voorzien in overgangsrecht. Dat betekent dat de Woo onmiddellijke werking heeft en dat met ingang van 1 mei 2022 besluiten op vóór de inwerkingtreding van de Woo ingediende Wob-verzoeken met inachtneming van de bepalingen van de Woo moeten worden genomen.
4. Eiser heeft met een brief van 6 december 2021 een Wob-verzoek ingediend. Hierin verzoekt hij om openbaarmaking van informatie met betrekking tot het World Economic Forum. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn is overschreden. Tussen partijen is evenmin in geschil dat eiser verweerder in gebreke heeft gesteld en meer dan twee weken daarna beroep heeft ingediend.
5. Het beroep is dus gegrond.
6. Als het beroep gegrond is en er nog geen besluit is bekendgemaakt, draagt de rechtbank het bestuursorgaan op om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen. [3] Verweerder heeft de rechtbank op 13 mei 2022 bericht over de stand van zaken. Daarin heeft verweerder toegelicht dat na een zoekslag is gebleken dat het verzoek op een veelheid aan documenten ziet. Verweerder zal daarom met eiser in gesprek gaan over de omvang van het verzoek. Verweerder heeft de verwachting uitgesproken dat het besluit uiterlijk vier tot zes weken na het gesprek kan worden genomen. In reactie hierop heeft eiser toegelicht dat het gesprek op 16 juni 2022 zou plaatsvinden, dat hij hiervoor naar Den Haag is afgereisd en dat het gesprek 50 minuten voor aanvang telefonisch is geannuleerd. De rechtbank betrekt deze omstandigheden bij het oordeel dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank betrekt daarbij verder de omstandigheid dat de beslistermijn ruim zeven maanden is overschreden en dat verweerder toezeggingen om binnen een bepaalde termijn te zullen beslissen niet heeft nageleefd. Dat betekent dat de rechtbank nu geen bijzondere omstandigheden aanneemt en zal beslissen dat verweerder uiterlijk 14 dagen na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend moet maken.
7. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat verweerder een dwangsom van € 100,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
8. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • draagt verweerder op binnen
  • bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,‑;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Greebe, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. van der Kroft, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
2.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
3.Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.