ECLI:NL:RBAMS:2022:4200

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 juni 2022
Publicatiedatum
21 juli 2022
Zaaknummer
C/13/691039 / HA RK 20-284
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 199 lid 3 RvArt. 205 lid 2 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling deskundigenkosten na medisch deskundigenbericht in civiele procedure

In deze civiele procedure heeft de rechtbank Amsterdam een beschikking gegeven over de betaling van deskundigenkosten. De deskundige prof. dr. H. van Goor was benoemd om een medisch deskundigenbericht op te stellen, dat op 26 januari 2022 werd ingediend. Partijen hebben vervolgens aan de rechtbank meegedeeld dat er geen bodemprocedure aanhangig is.

De rechtbank moest op grond van artikel 205 lid 2 Rv Pro bepalen welke partij de kosten van het deskundigenbericht, begroot op €6.050 inclusief btw, moet dragen. Verzoekster stelde dat de kosten voor rekening van de belanghebbenden moesten komen, omdat het deskundigenbericht fouten in de medische behandeling zou aantonen. De belanghebbenden betoogden juist dat de behandeling volgens de professionele standaard was uitgevoerd en dat verzoekster de kosten moest betalen.

De rechtbank overwoog dat artikel 205 lid 2 Rv Pro niet duidelijk maakt wie de meest gerede partij is en dat het niet passend is om in deze fase een oordeel te geven over aansprakelijkheid, omdat er geen bodemprocedure is gestart. Het deskundigenbericht concludeerde dat de behandeling volgens de destijds geldende professionele standaard was uitgevoerd, en dat complicaties niet tot aansprakelijkheid leiden.

Daarom besloot de rechtbank dat de kosten van het deskundigenbericht voor rekening van verzoekster komen. De rechtbank veroordeelde verzoekster om het bedrag van €6.050 binnen veertien dagen na ontvangst van de nota aan de griffier te voldoen.

Uitkomst: Verzoekster wordt veroordeeld tot betaling van de deskundigenkosten van €6.050.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/691039 / HA RK 20-284
Beschikking van 2 juni 2022
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats 1] ,
verzoekster,
advocaat mr. J.A.C. Bruin te Zaandam
en

1.[belanghebbende sub 1] ,

wonende te [woonplaats 2] ,
2. de onderlinge waarborgmaatschappij
CENTRAMED B.A.,
gevestigd te Zoetermeer,
belanghebbenden,
advocaat mr. M.S.E. van Beurden te Zoetermeer.
Partijen worden hierna [verzoekster] en [belanghebbenden] genoemd

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de beschikking van deze rechtbank van 18 februari 2021 waarbij prof. dr. H. van Goor (hierna: de deskundige) tot deskundige benoemd is.
1.2.
Het definitieve deskundigenbericht van de deskundige is op 26 januari 2022 ter griffie van de rechtbank ingekomen.
1.3.
Bij brief van 9 mei 2022 heeft de griffier partijen verzocht de rechtbank mede te delen of tussen partijen inmiddels een geding aanhangig is, zodat de rechtbank indien nodig een beschikking kan geven als bedoeld in artikel 205 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Partijen hebben aan de rechtbank meegedeeld dat er geen bodemprocedure aanhangig is.

2.De beoordeling

2.1.
Omdat het loon van de deskundige op grond van de uitzondering voor on- en minvermogenden op grond van artikel 199 lid 3 Rv Pro door de griffier ten laste van ’s Rijks kas is gebracht, dient op grond van artikel 205 lid 2 Rv Pro te worden vastgesteld welk deel van het loon van de deskundige door elk van de partijen dient te worden gedragen. Het loon van de deskundige bedraagt € 6.050,00 (inclusief btw).
2.2.
In hun berichten ontvangen ter griffie op 24 mei 2022 hebben partijen ieder hun standpunt kenbaar gemaakt.
2.3.
Mr. Bruin heeft zich namens [verzoekster] op het standpunt gesteld dat het loon van de deskundige ten laste van [belanghebbenden] moet worden gebracht. [verzoekster] voert daartoe, kort gezegd, aan dat uit het deskundigenbericht blijkt dat bij de medische behandeling van [verzoekster] een aantal fouten gemaakt zijn.
2.4.
Mr. Van Beurden heeft namens [belanghebbenden] betoogd dat uit het deskundigenbericht blijkt dat er bij de behandeling van [verzoekster] is gehandeld overeenkomstig de toen geldende medische professionele standaard. De kosten van het deskundigenbericht dienen volgens [belanghebbenden] voor rekening van [verzoekster] te komen.
2.5.
De rechtbank overweegt het volgende. Artikel 205 lid 2 Rv Pro beantwoordt niet de vraag wie de meest gerede partij is om in de kosten van een deskundigenbericht te worden veroordeeld en ook de parlementaire geschiedenis biedt hierover geen duidelijkheid. Tijdens de parlementaire behandeling heeft de minister wel aangegeven geen inbreuk te willen plegen op het beginsel dat de verliezende partij de kosten draagt. Maar als geen bodemprocedure volgt of geen aansprakelijkheid buiten rechte wordt erkend, dan blijft het onduidelijk wie de “verliezende partij” is. Het past de rechtbank ook niet om, in het kader van de beslissing die op grond van artikel 205 lid 2 Rv Pro over de kosten moet worden genomen, zich uit te laten over de mogelijke aansprakelijkheid, nu het debat daarover nog niet helemaal is gevoerd en partijen dat - kennelijk - ook (nog) niet ten overstaan van rechter wensen te voeren. Over de (mogelijke) aansprakelijkheid van [belanghebbende sub 1] zal de rechtbank dan ook geen uitspraak doen.
2.6.
In het deskundigenbericht heeft de deskundige op de vragen 3 en 4 geantwoord dat er volgens de destijds geldende professionele standaard is gehandeld. De antwoorden van de deskundige naar aanleiding van vraag 4 onder de punten 10 en 12 brengen hem niet tot een andere conclusie. Dit geldt ook het antwoord van de deskundige op vraag 5, waar de deskundige immers spreekt over “een complicatie”.
2.7.
De rechtbank ziet op grond van het voorgaande geen aanknopingspunten om af te wijken van het uitgangspunt dat de kosten van het deskundigenbericht voor rekening van de verzoekende partij ( [verzoekster] ) dienen te komen. Dat naar [verzoekster] meent eerst zou moeten worden geïnventariseerd wat de gevolgen van de door de deskundige onderzochte handelswijze van [belanghebbende sub 1] zijn, leidt – wat daar verder van zij – niet tot een ander oordeel. De rechtbank zal dan ook bepalen dat [verzoekster] als verzoekster de kosten van de deskundige aan de griffier moet voldoen.

3.De beslissing

3.1.
stelt de kosten van de deskundige prof. dr. H. van Goor vast op € 6.050,00 (inclusief btw),
3.2.
veroordeelt [verzoekster] dit bedrag van € 6.050,00 te voldoen aan de griffier van de rechtbank door overmaking van het bedrag onder vermelding “eindnota deskundigenbericht inzake C/13/691039 / HA RK 20/284” binnen veertien dagen nadat [verzoekster] daarvoor een nota van de griffier (via het Landelijk Dienstencentrum van de Rechtspraak, het LDCR) heeft ontvangen.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. van Eekeren en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2022.