ECLI:NL:RBAMS:2022:4296
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- J. Knol
- J.M.R. Vastenburg
- T. Arnoldussen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende bewijs
De rechtbank Amsterdam behandelde op 25 mei 2022 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van maximaal €91.361,73, voortvloeiend uit een eerdere veroordeling voor meervoudige oplichting van twee bedrijven.
De bewezenverklaring in de onderliggende strafzaak betrof een bedrag van €14.046,96, hetgeen het maximale bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel beperkt. De rechtbank stelde vast dat het gevorderde bedrag aanzienlijk hoger lag dan het bewezen bedrag aan oplichting.
Tijdens de zitting van 12 mei 2022 werd door de officier van justitie en de raadsman van de veroordeelde hun standpunten toegelicht. De rechtbank concludeerde dat er onvoldoende bewijs was om buiten redelijke twijfel vast te stellen dat de veroordeelde daadwerkelijk voordeel heeft genoten van het geld dat is vrijgekomen door de gepleegde oplichting.
Hoewel er betalingen van €33.187,57 op de bankrekening van de veroordeelde stonden, kon niet worden vastgesteld dat deze gelden verband hielden met het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de bewezen oplichting. Daarom wees de rechtbank de vordering tot ontneming af.
Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van genoten voordeel.