De rechtbank Amsterdam behandelde een zaak over de juridische afstemming van het vaderschap, gezag en adoptie na draagmoederschap. De moeder was gehuwd met de juridisch vader, maar het kind was verwekt met zaad van een wensvader. DNA-onderzoek bevestigde dat de wensvader de biologische vader was. De rechtbank verklaarde de ontkenning van het vaderschap van de juridisch vader gegrond en stelde het vaderschap van de wensvader vast, ondanks dat hij niet de verwekker was volgens de wet.
De wensvader kreeg eenhoofdig gezag over het kind toegewezen, omdat het kind direct na de geboorte bij de wensvaders verbleef en zij de verzorging en opvoeding op zich namen. De rechtbank oordeelde dat dit in het belang van het kind was. Daarnaast werd de adoptie door de partner van de wensvader toegewezen met terugwerkende kracht vanaf de geboorte, ondanks dat niet aan de wettelijke termijn van een jaar verzorging was voldaan, omdat dit niet verenigbaar werd geacht met het EVRM.
De rechtbank gaf uitvoering aan de verzoeken tot wijziging van de geslachtsnaam en gezamenlijk gezag na adoptie. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de griffier kreeg opdracht tot administratieve afhandeling. Het vonnis werd in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2022 door rechter H.M. Patijn.