De zaak betreft een vordering van het Openbaar Ministerie tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Litouwse autoriteiten. Het EAB is gericht op de aanhouding en overlevering van een persoon die verdacht wordt van strafbare feiten volgens Litouws recht.
Tijdens de eerste zitting op 19 mei 2022 werd de behandeling aangehouden in afwachting van instemming van de bevoegde autoriteit van het Verenigd Koninkrijk voor de verderlevering van de opgeëiste persoon. Op 21 juni 2022 werd de zaak voortgezet zonder dat deze toestemming was verkregen.
De officier van justitie lichtte toe dat een nieuw EAB was uitgevaardigd om deze toestemming alsnog te verkrijgen, wat leidde tot intrekking van het eerdere EAB. De rechtbank oordeelde dat het Openbaar Ministerie hierdoor niet-ontvankelijk is in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
De rechtbank stelde tevens vast dat de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon is beëindigd. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.