ECLI:NL:RBAMS:2022:4708
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van dwang bij verkrachting
Op 19 september 2019 werd verdachte ten laste gelegd van verkrachting van de benadeelde partij. De benadeelde verklaarde dat zij seksuele handelingen met verdachte had, waaronder penetratie met vingers en penis, ondanks dat zij meerdere malen aangaf dit niet te willen. Verdachte ontkende dat hij dwang heeft toegepast.
De officier van justitie stelde dat het tenlastegelegde bewezen kon worden, terwijl de verdediging betoogde dat onvoldoende bewijs bestond voor dwang. De rechtbank analyseerde de verklaringen van beide partijen en de ondersteunende bewijsstukken, waaronder WhatsApp-berichten en DNA-sporen.
Hoewel de rechtbank aannam dat de seksuele handelingen plaatsvonden zonder instemming van de benadeelde, kon niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat verdachte dwangmiddelen heeft gebruikt om haar weerstand te breken. Daarom werd verdachte vrijgesproken van verkrachting.
De rechtbank benadrukte dat de verklaring van de benadeelde grotendeels consistent was en ondersteund werd door omgevingsfactoren, maar dat inconsistenties en het ontbreken van bewijs voor dwang tot de vrijspraak leidden.
Het vonnis werd uitgesproken op 26 juli 2022 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken omdat niet is bewezen dat de seksuele handelingen onder dwang zijn verricht.