Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2022:538

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 februari 2022
Publicatiedatum
11 februari 2022
Zaaknummer
AWB - 21 _ 3089
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 78f ParticipatiewetArt. 11 ParticipatiewetArt. 32 ParticipatiewetArt. 58 lid 2 sub d ParticipatiewetArt. 58 lid 8 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tozo-uitkering terecht teruggevorderd op basis van maandelijkse winstbepaling

De rechtbank Amsterdam behandelde het beroep van eiseres tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot terugvordering van een bedrag van € 785,97 aan Tozo-uitkering over maart 2020.

Eiseres exploiteert een eenmanszaak en had een Tozo-uitkering ontvangen vanwege de coronacrisis. Het college vorderde terug omdat uit de winstverklaring bleek dat zij in maart 2020 winst had gemaakt. Eiseres stelde dat zij juist verlies had geleden in maart, april en mei 2020 en dat de terugvordering daarom onterecht was. Tevens beriep zij zich op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.

De rechtbank overwoog dat de Tozo-uitkering en de winstbepaling per maand plaatsvinden, niet per kwartaal of boekjaar. De winstverklaring over maart 2020 was niet in geschil en het college had het bedrag correct teruggevorderd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de communicatie van de overheid niet eenduidig toezegde dat de winst per kwartaal zou worden beoordeeld. Ook het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat geen ongelijke behandeling was vastgesteld.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de terugvordering van het bedrag. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de terugvordering van de Tozo-uitkering over maart 2020.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 21/3089

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 februari 2022 in de zaak tussen

[eiseres] , te Amsterdam, eiseres (hierna: [eiseres] )

(gemachtigde: [gemachtigde eiseres] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,verweerder (hierna: college)
(gemachtigde: mr. D. Ahmed).

Procesverloop

Met een besluit van 17 december 2020 (het primaire besluit) heeft het college € 785,97 teruggevorderd van de aan [eiseres] verstrekte uitkering op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo).
Met een besluit van 4 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van [eiseres] ongegrond verklaard.
[eiseres] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld op een zitting van 22 november 2021. [eiseres] en het college hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Aanleiding voor deze procedure
1. [eiseres] heeft een eenmanszaak “ [naam] ”. In een besluit van
6 juni 2020 heeft het college aan [eiseres] over de periode 1 maart 2020 tot en met
31 mei 2020 een Tozo-uitkering toegekend.
2. Met het primaire besluit heeft het college een bedrag van € 785,97 teruggevorderd over maart 2020, omdat uit de door [eiseres] verstrekte winstverklaring is gebleken dat zij winst heeft gemaakt. Bij de toekenning van de Tozo-uitkering is geen rekening gehouden met eventuele winsten. Daarom wordt de winst achteraf in mindering gebracht op de verstrekte Tozo-uitkering en vordert het college de te veel ontvangen uitkering terug.
Standpunt [eiseres]
3. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat zij in maart, april en mei 2020 geen winst heeft gemaakt maar juist een verlies van € 142,25. Ook heeft zij een omzetverlies van 35% ten opzichte van 2019. Daarom is de terugvordering niet terecht.
Juridisch kader en toelichting
4. Uit de Nota van Toelichting bij de Tozo-regeling [1] blijkt dat de regeling een speciale, tijdelijke regeling is die in het leven is geroepen om zelfstandig ondernemers te helpen die door de coronacrisis en door de maatregelen van de overheid om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, in de financiële problemen zijn gekomen. De basis voor de Tozo ligt in artikel 78f van de Participatiewet (hierna: PW). Hierin staat, kort samengevat, dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot verlening van bijstand aan zelfstandigen en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal. De Tozo is geënt op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 dat dezelfde grondslag heeft.
5. Bijstand wordt alleen verleend indien de belanghebbende in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. [2] Een beroep op aanvullende inkomensondersteuning is dus eerst mogelijk nadat beschikbare eigen middelen zijn ingezet. Het uitgangspunt hierbij is het inkomensbegrip uit de PW. [3]
6. Uitsluitend degene met een verwacht (netto) inkomen van ten hoogste 100 procent van de op de zelfstandige van toepassing zijnde bijstandsnorm heeft recht op algemene bijstand. De hoogte van de algemene bijstand wordt vastgesteld per kalendermaand. Uit het inkomen over het boekjaar is namelijk niet af te leiden wat het inkomen is geweest over de drie maanden waarover bijstand is verleend. Om die reden wordt noodzakelijkerwijs teruggevallen op de systematiek van de PW van vaststelling van het inkomen per kalendermaand. [4]
7. Indien de bijstand bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat, kan het college de kosten van bijstand terugvorderen. [5] Als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. [6]
Het oordeel van de rechtbank
8. De rechtbank stelt vast dat [eiseres] op 9 november 2020 een winstverklaring aan het college heeft verstrekt waarin staat dat zij over de periode 1 maart 2020 tot en met
31 mei 2020 € 959,- winst heeft gemaakt. De rechtbank stelt vast dat de juistheid van deze winstverklaring tussen partijen niet in geschil is. Partijen zijn het oneens over de vraag of het college terecht een bedrag van € 785,97 over de maand maart 2020 mocht terugvorderen.
De terugvordering
9. De rechtbank overweegt dat het recht op een Tozo-uitkering en de hoogte ervan maandelijks wordt vastgesteld. De Tozo-verstrekking wordt op maandbasis verrekend met de winst die in dezelfde maand is behaald. Daarom kon [eiseres] haar winstverklaring ook alleen per maand invullen. Dit betekent dat niet van belang is of er in andere maanden of ten opzichte van het voorgaande jaar verlies is geleden. Verder geldt dat het college in de toekenningsbeslissing van 6 juni 2020 heeft aangegeven dat: “
Indien u in de maanden maart, april of mei winst heeft gerealiseerd, moet u dit deel van de Tozo uitkering terugbetalen.“ Hieruit had [eiseres] kunnen afleiden dat de winst per maand wordt bepaald. Op het aan haar verstrekte voorschot is geen winst of geschat bedrag in mindering gebracht, omdat het college dat vooraf niet goed kon bepalen. Nu de juistheid van de winstverklaring tussen partijen niet in geschil is, staat vast dat [eiseres] in maart 2020 € 959,- winst heeft behaald. Het college heeft daarom in redelijkheid het bedrag van € 785,97 van [eiseres] teruggevorderd, waarbij het rekening heeft gehouden met afgedragen winstbelasting. [eiseres] heeft niet gesteld en evenmin is gebleken dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan het college van terugvordering had moeten afzien.
Het vertrouwensbeginsel
10. [eiseres] beroept zich ook op het vertrouwensbeginsel. Zij vindt dat de systematiek waarbij het inkomen en de winst per maand wordt beoordeeld, dus zonder rekening te houden met de maanden april en mei 2020, indruist tegen de verwachting die de staatssecretaris van Sociale Zaken heeft gewekt in een brief van 27 maart 2020. Zij had erop mogen vertrouwen dat haar inkomen en winst werden berekend per kwartaal.
11. De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel in ieder geval is vereist dat [eiseres] aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of, en zo ja hoe, het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. [7]
12. De bewoordingen die de staatssecretaris in zijn brief van 27 maart 2020 heeft gebruikt, zijn niet eenduidig. Vermeld staat onder meer dat de regeling tijdelijk is en geldt voor drie maanden (maart, april en mei 2020). De Tozo-regeling is een onderdeel van het noodpakket aan maatregelen om de negatieve effecten van de coronacrisis op de economie het hoofd te bieden. Het noodpakket bestond uit diverse maatregelen, waaronder het aanbieden aan zelfstandigen van een overbrugging ter behoud van liquiditeit voor een periode van drie maanden (maart, april en mei 2020). De periode van drie maanden ziet in de eerste plaats op de periode waarvoor de Tozo-regeling aanvankelijk in het leven is geroepen toen nog niet voorzien was hoelang de coronapandemie zou voortduren. Uit de brief kan niet worden afgeleid dat de winst wordt beoordeeld over een periode van drie maanden. De brief sluit naar het oordeel van de rechtbank het berekenen van de winst per kalendermaand in ieder geval niet uit. Reeds om deze reden slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet.
Het gelijkheidsbeginsel
13. [eiseres] stelt zich verder op het standpunt, zo begrijpt de rechtbank, dat zij ongelijk wordt behandeld ten opzichte van diegenen die wel een maandelijks sociaal minimum ontvangen om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien.
14. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Gesteld noch gebleken is dat het college ten aanzien van andere zelfstandig ondernemers bij de beoordeling van de terugvordering van de Tozo-uitkering de winst over een periode van drie maanden in aanmerking heeft genomen. Van een ongelijke behandeling in gelijke gevallen is dus geen sprake. Daarom slaagt het betoog niet.
Conclusie
15. Het college heeft dan ook in redelijkheid een bedrag van € 785,97 van [eiseres] teruggevorderd.
16. Het beroep is ongegrond. [eiseres] krijgt dus geen gelijk.
17. Bij deze uitkomst bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mazurel, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
1 februari 2022.
griffier
rechter
de griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.Staatsblad 2020, 118.
2.Zie artikel 11 van Pro de PW.
3.Zie artikel 32 van Pro de PW.
4.Staatsblad 2020, 118.
5.Zie artikel 58, tweede lid, onder d, van de PW.
6.Zie artikel 58, achtste lid, van de PW.
7.Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3335.