Op 8 mei 2022 werd verdachte aangehouden in Tilburg wegens het invoeren en voorhanden hebben van 1,017 kilogram cocaïne. De rechtbank Amsterdam verklaarde zich bevoegd omdat de vervolging begon met de inverzekeringstelling in Amsterdam. De verdediging voerde aan dat de rechtbank niet bevoegd was en dat het bewijs onrechtmatig was verkregen, maar dit werd verworpen vanwege voldoende redelijk vermoeden van schuld en rechtmatige verdenking.
De rechtbank achtte bewezen dat verdachte 951 gram cocaïne had ingevoerd en voorhanden had, maar sprak hem vrij van medeplegen omdat onvoldoende bewijs was voor nauwe samenwerking met anderen. Ook werd verdachte vrijgesproken van 66 gram cocaïne die niet kon worden bewezen. Verdachte werd veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf, lager dan de eis van twaalf maanden, mede vanwege vrijspraak van medeplegen en toepassing van strafrichtlijnen.
De rechtbank besloot dat de inbeslaggenomen geldbedragen en kantoorbenodigdheden aan verdachte teruggegeven worden omdat niet kon worden vastgesteld dat deze verband hielden met het strafbare feit. De verdovende middelen werden onttrokken aan het verkeer. Tevens werd de voorwaardelijke straf van drie maanden ten uitvoer gelegd omdat verdachte zich tijdens de proeftijd opnieuw schuldig had gemaakt aan een strafbaar feit.
De strafoplegging hield rekening met de ernst van het feit, de hoeveelheid cocaïne bestemd voor handel, de recidive van verdachte en het ontbreken van openheid voor hulpverlening. De tijd in voorlopige hechtenis wordt in mindering gebracht op de straf. Het vonnis werd uitgesproken op 16 augustus 2022 door de rechtbank Amsterdam.