ECLI:NL:RBAMS:2022:5415
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs medeplegen invoer en voorhanden hebben cocaïne
De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het binnenbrengen en voorhanden hebben van 1,017 kilogram cocaïne op 8 mei 2022. De rechtbank oordeelde dat zij bevoegd was omdat de vervolging begon met de inverzekeringstelling in Amsterdam. De verdediging voerde aan dat de rechtbank niet bevoegd was en dat er sprake was van vormverzuim, maar dit werd verworpen.
De officier van justitie stelde dat er een redelijk vermoeden van schuld bestond op basis van getuigenverklaringen, telefoongesprekken, reisgegevens en gedragingen van verdachte en medeverdachte. Verdachte zou samen met medeverdachte een bekende van haar, die cocaïne produceerde in haar woning, hebben samengewerkt.
De rechtbank concludeerde echter dat niet wettig en overtuigend kon worden bewezen dat verdachte medepleger was. Er ontbrak bewijs voor een nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte was niet in de nabijheid van de drugs toen de politie binnenkwam en haar verklaring dat de reis bedoeld was voor het uitstrooien van as van haar vader werd niet onwaarschijnlijk geacht. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde.
Daarnaast werd het inbeslaggenomen geldbedrag van €430,- teruggegeven aan verdachte omdat er geen grond was voor verbeurdverklaring.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs voor medeplegen van invoer en voorhanden hebben van cocaïne.