Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 oktober 2022 in de zaak tussen
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder
Procesverloop
11 november 2019 en 11 november 2020 (de primaire besluiten) heeft verweerder de maandbedragen voor de periode 2016 tot en met 2020 vastgesteld die eiseres moet terugbetalen ter aflossing van haar studieschuld.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen op het herzieningsverzoek van eiseres;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.518,-.
Overwegingen
5 juni 2021 heeft aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de primaire besluiten. Verweerder had dit schrijven moeten aanmerken als een verzoek om herziening. In haar eerste brief van
5 juni 2021 vraagt eiseres om kwijtschelding van haar studieschuld. Vervolgens heeft verweerder op 16 augustus 2021 gevraagd om nadere toelichting inzake deze brief. Daarop heeft eiseres geantwoord met de brief van 1 september 2021 en geschreven: “Ik ben het eens met de maatregel die in bovengenoemde periode is genomen (…). Wat ik vraag is herziening van onjuiste aannames en elkaar tegensprekende berichtgevingen gemaakt in deze periodes.” Om die reden had verweerder het schrijven van eiseres van 5 juni 2021 moeten aanmerken als een herzieningsverzoek. Gelet hierop moet het bestreden besluit worden vernietigd en moet verweerder alsnog op de aanvraag een primair besluit nemen. Verweerder moet daarbij rekening houden dat het een herzieningsverzoek is in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en daarbij kijken of er nieuwe omstandigheden zijn, maar ook of het besluit niet evident onredelijk is. [1] Verweerder moet hierbij niet alleen rekening houden met het verzoek zelf, maar ook de gronden van het beroep in deze procedure waarin wordt aangegeven waarom volgens eiseres herziening geboden is.
mr. R.G.J. van der Holst, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
3 oktober 2022.