Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2022 in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (verweerder)
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
8 juli 2019 heeft verweerder de gemachtigde van eiser verzocht binnen een termijn van twee weken een machtiging toe te sturen waaruit blijkt dat de gemachtigde namens eiser handelt. Omdat hierop geen machtiging is gevolgd, heeft verweerder met het primaire besluit het verzoek kennelijk ongegrond verklaard.
4 december 2019 ingebreke heeft gesteld en dat verweerder niet binnen een termijn van twee weken nadien een beslissing op bezwaar heeft genomen. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit geen beslissing heeft genomen op de ingebrekestelling en zich niet heeft uitgelaten over een te verbeuren dwangsom.
De rechtbank is van oordeel dat daarmee in beroep sprake is van procesbelang. Eiser kan door beroep in te stellen immers in een betere positie geraken nu hij daarmee kan bereiken dat alsnog dwangsommen wegens het niet tijdig beslissen kunnen worden toegekend. Dat een dwangsom bij niet tijdig beslissen volgens de vaste rechtspraak geen schadevergoeding is maar louter dient als prikkel voor het bestuursorgaan om over te gaan tot spoedige besluitvorming, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiser geen procesbelang zou hebben. Nu verweerder met het bestreden besluit niet heeft beslist over de te verbeuren dwangsommen noch is gebleken dat verweerder hierover in een ander besluit heeft beslist, heeft eiser procesbelang bij dit beroep. Het beroep is daarmee ontvankelijk.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
N. Galjee-Melehi, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2022.