ECLI:NL:RBAMS:2022:5833

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 oktober 2022
Publicatiedatum
12 oktober 2022
Zaaknummer
AMS 22/757
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 1 Verordening parkeerbelastingen Amsterdam 2022Art. 25 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 230 GemeentewetArt. 231 lid 1 Gemeentewet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht opgelegd wegens overschrijding redelijke termijn voor betaling

Eiseres parkeerde haar auto zonder direct parkeerbelasting te betalen en kocht pas 19 minuten later een dagkaart, nadat zij diverse handelingen had verricht die niet direct gericht waren op betaling. De heffingsambtenaar legde daarom een naheffingsaanslag op die door de rechtbank werd bevestigd.

De rechtbank overwoog dat een parkeerder een redelijke termijn moet krijgen om het parkeerrecht te verwerven, maar dat deze termijn alleen geldt zolang de parkeerder uitvoeringshandelingen verricht die gericht zijn op het betalen van parkeergeld. Eiseres had na het parkeren eerst naar haar werk gelopen, haar jas uitgedaan, koffie ingeschonken en haar computer opgestart, waardoor zij niet continu met betaling bezig was.

Hoewel geen sprake was van onwil, was de termijn van 19 minuten na constatering van het parkeren te lang en viel de aanschaf van de dagkaart niet meer onder uitvoeringshandelingen. De rechtbank wees het beroep af en oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd. Tevens werd het verzoek tot hoorzitting afgewezen omdat eiseres dit niet had aangevraagd tijdens bezwaar.

Uitkomst: De naheffingsaanslag parkeerbelasting is terecht opgelegd omdat de dagkaart niet binnen een redelijke termijn na parkeren werd aangeschaft.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/757

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2022 in de zaak tussen

[eiseres] , uit Zwolle, eiseres

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam (de heffingsambtenaar),

gemachtigde: G.M. Plukker-Klein Meuleman.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 4 februari 2022. Met deze uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting van 31 december 2021 ongegrond verklaard.
De heffingsambtenaar heeft de naheffingsaanslag aan eiseres opgelegd omdat een parkeercontroleur op 31 december 2021 heeft vastgesteld dat de auto van eiseres met kenteken [kenteken] om [tijdstip 1] uur geparkeerd stond op het [locatie] ter hoogte van nummer [nummer] zonder dat daarvoor parkeerbelasting was betaald.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 19 september 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.

Beoordeling door de rechtbank

1. Niet in geschil is dat de auto van eiseres op de in de naheffingsaanslag vermelde datum, tijdstip en locatie geparkeerd stond.
2. Eiseres voert aan dat zij na het parkeren naar haar werk is gelopen en daar met haar computer een dagkaart heeft aangeschaft. Ze kon geen dagkaart bestellen en betalen via haar mobiele telefoon. Ze heeft dat meerdere keren geprobeerd, maar het werkte simpelweg niet op haar telefoon. Uit het feit dat zij een dagkaart heeft aangeschaft, blijkt wel dat geen sprake was van onwil.
3. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat eiseres pas om [tijdstip 2] uur, 19 minuten nadat de naheffingsaanslag is opgelegd, een dagkaart heeft aangeschaft, terwijl de loopafstand tussen de parkeerplek en haar werk slechts 5 minuten is. Volgens de heffingsambtenaar valt dat niet meer onder een uitvoeringshandeling.
4. De rechtbank overweegt als volgt. De parkeerbelasting moet worden voldaan bij aanvang van het parkeren. [1] Volgens vaste rechtspraak moet een parkeerder een redelijke termijn worden gegund die nodig is om de parkeerapparatuur in werking te stellen of een parkeerrecht aan te schaffen. [2] Tijdens die termijn moet de parkeerder steeds bezig zijn met uitvoeringshandelingen die zijn gericht op het betalen van het parkeergeld.
5. Vast staat dat eiseres haar dagkaart heeft aangeschaft om [tijdstip 2] uur. Dat is 19 minuten nadat de parkeercontroleur had geconstateerd dat de auto van eiseres stond geparkeerd op het [locatie] ter hoogte van nummer [locatie] . Op de zitting heeft eiseres verklaard dat zij na het parkeren van haar auto naar haar werk is gelopen, haar jas heeft uitgedaan, even naar het toilet is geweest, koffie heeft ingeschonken, haar computer heeft opgestart en daarna de dagkaart heeft aangeschaft. Uit deze gang van zaken blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat eiseres niet steeds bezig is geweest met uitvoeringshandelingen die waren gericht op het betalen van parkeergeld. Eiseres heeft de dagkaart dan ook niet aangeschaft binnen een redelijke termijn na het parkeren. Dat geen sprake was van onwil, maakt dat niet anders. Eiseres had overigens ook een dagkaart kunnen aanschaffen bij een parkeerautomaat.
6. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd.
7. Op de zitting heeft eiseres nog aangevoerd dat zij niet is gehoord. De heffingsambtenaar heeft er echter terecht op gewezen dat in belastingzaken in bezwaar alleen wordt gehoord op verzoek van degene die bezwaar maakt. [3] Aangezien eiseres in bezwaar niet heeft verzocht om te worden gehoord, was de heffingsambtenaar dus niet verplicht om eiseres te horen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat zij het griffierecht niet terugkrijgt.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van mr. T.E. Bouwmeester, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 4, eerste lid, van de Verordening parkeerbelastingen Amsterdam 2022
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 november 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:9379
3.Zie artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr). Deze wet is van overeenkomstige toepassing verklaard op gemeentelijke belastingen. Dit volgt uit artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet in samenhang met artikel 230, aanhef en onder a, van de Gemeentewet.