ECLI:NL:RBAMS:2022:5900

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 oktober 2022
Publicatiedatum
14 oktober 2022
Zaaknummer
AWB - 21 _ 6281
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen vaststelling WOZ-waarde woning te Amsterdam

De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam stelde in juni 2021 de WOZ-waarde van de woning van eiser te Amsterdam vast op €612.500,- voor het kalenderjaar 2015. Eiser maakte bezwaar tegen deze beschikking. In de uitspraak op bezwaar van december 2021 werd de WOZ-waarde verlaagd naar €533.000,-. Eiser stelde vervolgens beroep in tegen deze bestreden uitspraak.

De kern van het geschil betreft de vraag of de WOZ-waarde van de woning op grond van het gelijkheidsbeginsel lager moet worden vastgesteld. Eiser voerde aan dat de waarde gelijk moet zijn aan die van een nagenoeg identieke woning aan een ander adres, die lager was gewaardeerd. De heffingsambtenaar stelde dat deze vergelijking niet opgaat omdat slechts één object was aangedragen en dat dit object abusievelijk te laag was gewaardeerd.

De rechtbank overweegt dat het gelijkheidsbeginsel in het belastingrecht de meerderheidsregel hanteert, waarbij minimaal twee identieke objecten lager gewaardeerd moeten zijn om een schending aan te nemen. Omdat eiser slechts één vergelijkingsobject heeft aangedragen, faalt zijn beroep. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een vergoeding van griffierecht af.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 21/6281

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 oktober 2022 in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam,

Procesverloop

De heffingsambtenaar heeft in de beschikking van 6 juni 2021 de WOZ-waarde van de onroerende zaak [adres 1] te Amsterdam (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2015 vastgesteld op € 612.500,-.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 28 december 2021 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar gegrond verklaard en de WOZ-waarde verlaagd naar € 533.000,-.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld op de zitting van 30 augustus 2022.
Eiser is niet verschenen. De heffingsambtenaar is verschenen in de persoon van
mr. H. Oderkerk, vergezeld door [de persoon] , taxateur.

Overwegingen

De aanleiding voor deze procedure
1. Eiser is eigenaar van de woning. Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de WOZ-waarde van de woning.
2. De waardepeildatum is in dit geval 1 januari 2014. Bepalend is de staat waarin de woning op die datum verkeert. De WOZ-waarde uit 2015 is voor eiser van belang voor het vaststellen van de eeuwigdurende erfpachtcanon.
Standpunten partijen
3. Eiser vindt dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde te hoog heeft vastgesteld. Hij vindt dat de waarde van de woning vastgesteld moet worden op dezelfde waarde als van [adres 2] . Deze woning is nagenoeg gelijk aan de woning van eiser.
4. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat hij de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld, en dat geen geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel kan worden gedaan. [adres 1] (de woning), en [adres 2] hebben weliswaar (nagenoeg) gelijke woonoppervlakten, maar eiser heeft maar één object aangedragen dat lager is gewaardeerd. De heffingsambtenaar heeft hierover opgemerkt dat dit object abusievelijk te laag is gewaardeerd. Er is uitgegaan van een te lage inschatting van de kenmerken kwaliteit, onderhoud en ligging. Het object is overigens op 19 december 2014 verkocht voor € 725.000,-.
Wat vindt de rechtbank van deze zaak?
5. Het geschil beperkt zich tot de vraag of de WOZ-waarde van de woning op grond van het gelijkheidsbeginsel lager moet worden vastgesteld. Eiser doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel, waarvoor in het belastingrecht de meerderheidsregel geldt. Deze regel geldt alleen als objecten ‘nagenoeg identiek’ zijn, in die zin dat de onderlinge verschillen verwaarloosbaar zijn. Daarnaast moet sprake zijn van minimaal twee identieke objecten die lager gewaardeerd zijn (want de helft + 1). Het ligt verder op de weg van eiser om, bij zijn beroep daarop, aannemelijk te maken dat de meerderheidsregel is geschonden. [1] Dit houdt in dat een incidentele te lage waardering van een andere (identieke) woning geen schending van het gelijkheidsbeginsel oplevert. Nu eiser slechts naar één, in zijn ogen identieke, woning heeft verwezen, kan reeds daarom geen sprake zijn van een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Gelet op het voorgaande heeft de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld.
7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk. Voor een vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.M. Koning, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2022.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 4 maart 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:964.