ECLI:NL:RBAMS:2022:6292

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 oktober 2022
Publicatiedatum
2 november 2022
Zaaknummer
13/179793-22
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 29 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering opgeëiste persoon aan Polen ondanks Nederlandse strafzaak

De rechtbank Amsterdam behandelde op 21 september 2022 de vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Polen, gebaseerd op een Europees aanhoudingsbevel (EAB) van 17 mei 2022. De opgeëiste persoon, geboren in Polen en gedetineerd in Nederland, werd bijgestaan door raadsman en tolk. De rechtbank verlengde de uitspraaktermijn met dertig dagen om de zaak zorgvuldig te kunnen beoordelen.

Het EAB betrof strafrechtelijke onderzoeken en de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van één jaar opgelegd door Poolse rechtbanken. De feiten betroffen oplichting, vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten, strafbaar gesteld onder Poolse wetgeving en opgenomen in bijlage 1 van de Overleveringswet.

Hoewel de rechtbank erkende dat er structurele gebreken zijn in de Poolse rechtsorde die het recht op een eerlijk proces kunnen bedreigen, concludeerde zij dat de opgeëiste persoon geen concreet individueel gevaar had aangetoond. Ook werd geoordeeld dat de lopende Nederlandse strafzaak geen grond vormt om overlevering te weigeren, omdat de Overleveringswet dit niet toestaat.

De rechtbank stelde vast dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en dat er geen weigeringsgronden zijn. Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/179793-22
RK nummer: 22/3659
Datum uitspraak: 5 oktober 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 18 juli 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 mei 2022 door de
District Court in Bielsko-Biala(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1985,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieadres],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 21 september 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. Y. Habib, waarnemend voor
mr. T. Kocabas, beiden advocaat te Zoetermeer en door een tolk in de Poolse taal.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB, in samenhang gelezen met de aanvullende informatie van 8 augustus 2022 en
23 augustus 2022, wordt melding gemaakt van:
  • een arrestatiebevel van de
  • een arrestatiebevel van de
  • een vonnis van de
In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij zowel het proces dat tot het vonnis van 15 december 2014 als het proces dat tot het arrest van 28 mei 2015 heeft geleid.
De overlevering wordt ten eerste verzocht ten behoeve van tweedoor de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingestelde strafrechtelijke onderzoeken ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten.
De overlevering wordt ten tweede verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon nog geheel te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest van 28 mei 2015.
De feiten waarop de arrestatiebevelen van 3 december 2019 en 2 maart 2021 en het arrest van 28 mei 2015 betrekking hebben zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder de nummers 20 en 23, te weten:
oplichting;
vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.

5.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [1]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [2]

6.Aanwezigheidsrecht Nederlandse strafzaak

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de feitelijke overlevering van de opgeëiste persoon te weigeren, nu de opgeëiste persoon ook in een Nederlandse strafzaak is gedagvaard en hij van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wenst te maken.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse strafzaak geen omstandigheid vormt die tot weigering van het overleveringsverzoek kan leiden. De OLW geeft aan de rechtbank niet de bevoegdheid een overlevering te weigeren in verband met het aanwezigheidsrecht in een Nederlandse strafzaak.

7.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de
District Court in Bielsko-Biala(Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. G.M. Beunk en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.A. Dijk, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 5 oktober 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4.
2.. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (