ECLI:NL:RBAMS:2022:6309
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WOZ-waarde woning na beroep tegen te hoge waardering
De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een etagewoning in Amsterdam voor het jaar 2021 vast op €781.000. Eiser maakte bezwaar tegen deze waarde, stellende dat de waarde te hoog was en €711.000 zou moeten zijn. Na een ongegrond verklaring van het bezwaar door de heffingsambtenaar, stelde eiser beroep in bij de rechtbank Amsterdam.
Op de zitting verscheen de heffingsambtenaar met een taxateur, terwijl eiser en zijn gemachtigde niet verschenen. De rechtbank beoordeelde de vergelijkingsobjecten die de heffingsambtenaar gebruikte om de waarde te onderbouwen. De heffingsambtenaar verving tijdens de zitting een vergelijkingsobject door een door eiser voorgesteld object, wat door de rechtbank als beter vergelijkbaar werd gezien.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede doordat de gemiddelde prijs per m² van de vergelijkingsobjecten lager was dan de vastgestelde waarde. Eiser had zijn lagere waarde niet aannemelijk gemaakt. Daarom stelde de rechtbank de WOZ-waarde zelf vast op €774.000.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de bestreden uitspraak en bepaalde dat de aanslag onroerende zaakbelasting overeenkomstig deze waarde wordt verminderd. Tevens werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser.
Uitkomst: De rechtbank stelt de WOZ-waarde van de woning vast op €774.000 en verklaart het beroep gegrond.