Eiseres, een zelfstandige ondernemer, ontving tot 30 september 2021 een Tozo-uitkering die per 1 oktober 2021 werd beëindigd. Zij diende op 23 december 2021 een aanvraag in voor een aanvullende Bbz-uitkering, die volgens de tijdelijke regeling wordt geacht te zijn ingediend op 1 november 2021. Het college kende de uitkering toe vanaf die datum, maar eiseres stelde dat zij vanwege financiële nood en onjuiste informatie reeds vanaf 1 oktober 2021 recht had op bijstand.
De rechtbank oordeelt dat geen bijzondere omstandigheden zijn aangetoond die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen. Het college heeft niet de plicht om alle zelfstandigen actief te informeren over de Bbz-aanvraagmogelijkheden en eiseres is niet onjuist geïnformeerd in haar contact met de gemeente. De dwingendrechtelijke bepalingen laten geen ruimte voor een hardheidsclausule.
De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat de uitkering terecht is toegekend vanaf 1 november 2021. De financiële situatie en miscommunicatie tussen partijen zijn betreurenswaardig maar vormen geen grond voor een afwijkende beslissing. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.