ECLI:NL:RBAMS:2022:7021

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 september 2022
Publicatiedatum
29 november 2022
Zaaknummer
13/155533-22
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering Duitse verdachte op grond van Europees aanhoudingsbevel

De rechtbank Amsterdam behandelde op 27 september 2022 een vordering tot overlevering van een Duitse verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Soest op 21 juni 2022. De verdachte, geboren in Duitsland in 1960 en zonder vaste verblijfplaats in Nederland, werd verdacht van ernstige strafbare feiten waaronder seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie.

De rechtbank onderzocht de identiteit van de verdachte en bevestigde deze. Vervolgens beoordeelde zij de grondslag van het EAB en de strafbaarheid van de feiten volgens zowel Duits als Nederlands recht. Hoewel een deel van de feiten een toetsing van dubbele strafbaarheid vereiste, oordeelde de rechtbank dat het overtreden van instructies tijdens toezicht op gedrag (zoals een contactverbod) in Nederland niet strafbaar is. Desondanks zag de rechtbank af van weigering van overlevering vanwege het ontbreken van aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde en het feit dat de hoofdfeiten wel voldoen aan de criteria.

De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke vereisten voldoet en dat er geen weigeringsgronden zijn. Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open, conform artikel 29, tweede lid, Overleveringswet.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de Duitse verdachte toe voor de strafbare feiten zoals omschreven in het Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/155533-22
RK nummer: 22/3511
Datum uitspraak: 27 september 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 juli 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 juni 2022 door het
Amtsgericht Soest(Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Duitsland) op [geboortedag] 1960,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieadres],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 13 september 2022. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Westerman. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. van der Himst, advocaat te Den Helder en door een tolk in de Duitse taal.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Duitse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een bevel tot voorlopige hechtenis, uitgevaardigd door het
Amtsgericht Soestop 21 juni 2022 (referentie: 20 Ls-362 Js 130/22-68/22).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van een deel van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit een deel van de feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Deze feiten vallen op deze lijst onder nummer 4, te weten:
Seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit
overtreding van de instructies tijdens het toezicht op het gedragaangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid geldt.
De rechtbank is van oordeel dat het overtreden van instructies tijdens het toezicht op het gedrag – in dit geval het overtreden van een contactverbod –naar Nederlands recht geen strafbaar feit oplevert. De rechtbank kan de overlevering voor dit feit daarom weigeren. [1]
De rechtbank ziet echter, met de officier van justitie, in deze situatie aanleiding om van haar bevoegdheid tot weigering af te zien. Redengevend is dat de feiten uit het EAB geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde hebben – de feiten zijn immers begaan in Duitsland, door een Duitse onderdaan, tegen andere onderdanen van Duitsland – en dat de overlevering toch al toelaatbaar is voor de feiten die de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft aangekruist als lijstfeit [2] .

5.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.

6.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het
Amtsgericht Soest(Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en C.M. Delstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.M. Rus, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 27 september 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.De rechtbank verwijst in dit kader naar haar uitspraak van 15 april 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1803.
2.De rechtbank verwijst in dit kader naar haar uitspraak van 7 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2558.