In deze civiele vrijwaringszaak tussen BinckBank N.V. en gedaagde stond de vraag centraal wie de proceskosten moest dragen nadat BinckBank haar vorderingen had ingetrokken. De hoofdzaak, waarin Stichting Vermogensreparatie Ad Rem en belanghebbenden vorderingen tegen BinckBank hadden ingesteld, was op gezamenlijk verzoek doorgehaald. Ook de vrijwaringszaak werd doorgehaald na een schikking met een andere partij.
BinckBank had haar vorderingen jegens gedaagde verminderd tot nihil. Gedaagde stelde daarop diverse tegenvorderingen, waaronder betaling van proceskosten en een verklaring voor recht dat BinckBank misbruik van recht had gemaakt. De rechtbank oordeelde dat deze tegenvorderingen te laat waren ingesteld, ruim twee jaar na aanvang van de procedure, en daarom in strijd waren met de eisen van een goede procesorde.
De rechtbank liet de tegenvorderingen buiten beschouwing en veroordeelde BinckBank tot betaling van proceskosten aan gedaagde, begroot op €1.477,00, en tot vergoeding van nakosten. De veroordelingen werden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Hiermee werd duidelijk dat ondanks intrekking van de hoofdvorderingen BinckBank aansprakelijk bleef voor de door gedaagde gemaakte proceskosten.