De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek van de Poolse autoriteiten om aanvullende toestemming te verlenen voor uitbreiding van de vervolging van een overgeleverde persoon. Dit verzoek betrof nieuwe feiten die voor de overlevering zouden zijn gepleegd en waarvoor de persoon niet was overgeleverd.
De rechtbank stelde vast dat de overgeleverde persoon bij de Poolse zitting van 19 oktober 2021 niet de feitelijke mogelijkheid had gehad om zijn opmerkingen en bezwaren over het verzoek kenbaar te maken, aangezien hij niet werd bijgestaan door een advocaat en alleen via telehoorverbinding aanwezig was. De persoon had wel verklaard geen afstand te doen van het specialiteitsbeginsel, maar dit betekent niet dat hij alle bezwaren heeft kunnen uiten.
De Poolse autoriteiten gaven aan dat de beslissing over het verzoek niet vatbaar is voor beroep en dat de overgeleverde persoon geen mogelijkheid had om te participeren in de beslissing, maar wel zijn standpunt had gegeven tijdens de zitting. Dit volstaat volgens de rechtbank niet om te voldoen aan de vereisten van effectieve rechterlijke bescherming.
De rechtbank concludeerde dat zij niet over voldoende gegevens beschikte om een toewijzende beslissing te nemen met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging. Daarom wees zij het verzoek af, met de kanttekening dat Polen een nieuw verzoek kan indienen zodra de overgeleverde persoon de mogelijkheid heeft gehad zijn bezwaren te uiten.