De rechtbank Amsterdam behandelde het beroep tegen twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd aan een autogarage aan de [adres] in Amsterdam. De aanslagen betroffen parkeren zonder of met onvoldoende betaling op 23 en 27 juli 2021.
Eiseres stelde dat het parkeren plaatsvond tijdens het rangeren rond sluitingstijd en dat de heffing onredelijk is vanwege de bedrijfsvoering en de financiële situatie. De rechtbank stelde vast dat sprake was van parkeren in de zin van de wet, omdat de auto's stil stonden met gesloten deuren en zonder personen in de nabijheid.
De heffingsambtenaar lichtte toe dat er parkeervergunningen beschikbaar zijn voor garagebedrijven en dat betaald parkeren noodzakelijk is om het gebied bereikbaar te houden en misbruik als gratis parkeerplaats te voorkomen. De rechtbank vond deze toelichting aannemelijk en zag geen reden de verordening onverbindend te verklaren.
De verzoeken tot vernietiging en kwijtschelding werden afgewezen, mede omdat de verordening geen kwijtschelding toestaat. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.