De rechtbank Amsterdam sprak verdachte vrij van heling van een auto, omdat onvoldoende bewijs bestond dat hij wist of had moeten vermoeden dat de auto gestolen was. Verdachte verklaarde de auto te hebben geleend en in bezit te zijn van een autosleutel.
Wel achtte de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig maakte aan medeplegen van een woninginbraak in Amsterdam, waarbij diverse waardevolle goederen werden weggenomen. Verdachte werkte nauw samen met een kennis die de woning binnenging en hielp bij het wegdragen van de gestolen spullen. Voor zijn rol ontving verdachte een geldbedrag.
De rechtbank oordeelde dat woninginbraak een ernstig feit is dat het veiligheidsgevoel van bewoners schaadt. Gezien het strafblad van verdachte en een hoog risico op recidive, legde de rechtbank een gevangenisstraf van zeven maanden op, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De voorlopige hechtenis werd verrekend met de onvoorwaardelijke straf en het bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven. Het vonnis werd gewezen door drie rechters en uitgesproken op 22 november 2022.