Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2022:7549

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 december 2022
Publicatiedatum
15 december 2022
Zaaknummer
10081223 / CV EXPL 22-11361
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 210 RvArt. 138 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot vrijwaring in geschil over factuur en vertegenwoordiging

In deze civiele procedure vordert eiser betaling van een factuur van €6.190,24 voor werkzaamheden verricht voor de onderneming van gedaagde. Gedaagde betwist de aansprakelijkheid en stelt dat een derde, [naam], verantwoordelijk is voor de betaling op grond van een managementovereenkomst en wil deze derde in vrijwaring oproepen.

De kantonrechter beoordeelt het incident en stelt dat de minimumeis voor het oproepen in vrijwaring is dat er een rechtsverhouding bestaat tussen gedaagde en de derde die tot vrijwaring kan leiden. De vraag of deze rechtsverhouding daadwerkelijk bestaat, wordt in de hoofdzaak behandeld. De stellingen over schijn van vertegenwoordiging spelen in de hoofdzaak en niet in het incident.

De kantonrechter oordeelt dat gedaagde voldoende heeft gesteld om de derde in vrijwaring toe te laten roepen. De overige vorderingen van gedaagde worden niet in dit incident behandeld maar in de hoofdzaak. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident, die worden vastgesteld op €75,00 plus nakosten.

De zaak wordt aangehouden voor verdere behandeling in de hoofdzaak, waarbij ook de overige vorderingen en de inhoudelijke beoordeling van de aansprakelijkheid aan de orde komen.

Uitkomst: Gedaagde mag derde in vrijwaring oproepen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

afdeling privaatrecht
Zaaknummer en rolnummer: 10081223 / CV EXPL 22-11361
Uitspraak: 27 december 2022
Vonnis in incident van de kantonrechter
in de zaak van:
[eiser] h.o.d.n. [handelsnaam 1],
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
gemachtigde: mr. E.Ph. Schölvinck,
t e g e n
[gedaagde] h.o.d.n. [handelsnaam 2] en h.o.d.n. [handelsnaam 3],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
gemachtigde: De Ruijter & Willemsen gerechtsdeurwaarders en incasso B.V.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 22 augustus 2022, met producties,
  • de conclusie van antwoord tevens incident oproeping in vrijwaring, met producties,
  • de conclusie van repliek, met één productie.
1.2.
Daarna is vonnis bepaald.

2.De feiten voor zover van belang voor het incident

2.1.
[eiser] drijft een onderneming genaamd [handelsnaam 1] .
2.2.
[gedaagde] exploiteerde via haar onderneming [handelsnaam 3] twee pizzeria’s genaamd [handelsnaam 3] . Eén van die pizzeria’s was gevestigd aan de [adres] (hierna: de pizzeria).
2.3.
In december 2021 hebben [handelsnaam 3] en de heer [naam] (hierna: [naam] ) een managementovereenkomst gesloten. In artikel 1.1 van deze overeenkomst zijn partijen het volgende overeengekomen, voor zover relevant:
“ [naam] verplicht zich voor de duur van de Overeenkomst de navolgende werkzaamheden te verrichten; [naam] zal [handelsnaam 3] [locatie] gaan runnen en zal de exploitatie van deze vestiging verrichten in lijn met de huurovereenkomst (…) en is daarvoor verantwoordelijk. (…) [naam] zal het gezicht zijn van de vestiging [locatie] en er alles aan doen om deze vesting tot een succes te maken. [naam] legt verantwoording over de uitvoering van de Overeenkomst af aan [gedaagde] .”
2.4.
Op enig moment heeft [naam] [eiser] benaderd om verschillende werkzaamheden te verrichten om de pizzeria te kunnen veranderen in een café genaamd de [handelsnaam 2] . Daarop heeft [eiser] in de periode van 24 november 2021 tot en met 8 februari 2022 verschillende werkzaamheden verricht, waaronder het ontwerpen en aanbrengen van een nieuw logo, het bedrukken van een t-shirt, het plakken van stickers en het registreren van een domeinnaam. Voor deze werkzaamheden heeft [eiser] op 8 februari 2022 € 6.190,24 aan [handelsnaam 2] gefactureerd. Deze factuur is niet betaald.
2.5.
[gedaagde] heeft in een e-mail van 3 mei 2022 aan [eiser] de verschuldigdheid van de factuur betwist.
2.6.
In brieven van 17 mei 2022 en 15 juni 2022 heeft (de gemachtigde van) [eiser] [gedaagde] verzocht de factuur te betalen.
2.7.
Op 1 juli 2022 heeft (de gemachtigde van) [gedaagde] aan (de gemachtigde van) [eiser] – samengevat – gemaild dat niet [gedaagde] , maar [naam] gehouden is de factuur te voldoen.

3.Het geschil in de hoofdzaak

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de kantonrechter [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeelt tot betaling van € 6.190,24, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde] voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, indien nodig, ingegaan.

4.Het geschil in het incident

4.1.
[gedaagde] vordert – samengevat – dat de kantonrechter:
verklaart voor recht dat:
  • de managementovereenkomst geen opdrachtovereenkomst is, maar een huurovereenkomst althans een gemengde overeenkomst is,
  • [naam] voor zichzelf en geheel zelfstandig het pand van [handelsnaam 3] heeft gehuurd en getracht uit te baten en dat alleen hij verantwoordelijk was voor zijn handelen althans nalaten gedurende de periode van uitbaten en dat hij de aangewezen partij is de factuur te voldoen in plaats van [gedaagde] ,
  • (indien sprake is van een gemengde overeenkomst) de factuur tot geheel of gedeeltelijke aansprakelijkheid leidt in de interne betrekking tussen [gedaagde] en [naam] ,
en:
  • bepaalt dat [gedaagde] haar aandeel kan verrekenen met haar vordering op [naam] ,
  • [gedaagde] toestaat [naam] in vrijwaring op te roepen,
  • [naam] veroordeelt in de proceskosten.
4.2.
[eiser] voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] .
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, indien nodig, ingegaan.

5.De beoordeling in het incident

Mag [gedaagde] [naam] in vrijwaring oproepen? Ja
5.1.
[gedaagde] vordert onder meer dat zij wordt toegelaten [naam] in vrijwaring op te roepen. Volgens haar is [naam] de enige contractspartij van [eiser] . Op basis van de tussen [gedaagde] en [naam] gemaakte afspraken, werkte hij voor eigen rekening en risico. Omdat [naam] [eiser] opdracht heeft gegeven werkzaamheden te verrichten dient hij ook de factuur van [eiser] te betalen. Aldus steeds [gedaagde] .
5.2.
[eiser] voert verweer. Hij betoogt – samengevat – dat [naam] [gedaagde] vertegenwoordigde althans dat [naam] bij [eiser] de schijn heeft gewekt dat hij [gedaagde] vertegenwoordigde. [naam] heeft namens [gedaagde] opdracht gegeven aan [eiser] om werkzaamheden te verrichten, zodat [gedaagde] daarvoor moet betalen. Er is dan ook geen reden om [gedaagde] toe te staan [naam] in vrijwaring op te roepen. Aldus steeds [eiser] .
5.3.
De kantonrechter stelt voorop dat artikel 210 Rv Pro de mogelijkheid opent om iemand in vrijwaring op te roepen als een partij meent daartoe gronden te hebben. De minimumeis hiervoor is de stelling dat tussen gedaagde in de hoofdzaak en een derde een rechtsverhouding bestaat die voor die derde een verplichting tot vrijwaring meebrengt. Deze toets is summier. De vraag of die rechtsverhouding daadwerkelijk bestaat hoeft daarvoor niet te worden beantwoord, dat komt immers in de vrijwaringszaak aan de orde. Dat geldt ook voor de door [eiser] ingenomen stellingen over (schijn van) vertegenwoordiging.
5.4.
In de rechtsverhouding tussen [eiser] en [gedaagde] is [naam] als derde aan te merken. [gedaagde] heeft voldoende onderbouwd gesteld dat tussen haar en [naam] een rechtsverhouding bestaat die voor [naam] een verplichting tot vrijwaring meebrengt.
[gedaagde] wordt daarom toegestaan [naam] in vrijwaring op te roepen tegen de in de beslissing vermelde roldatum.
Overige vorderingen van [gedaagde]
5.5.
De door [gedaagde] gevorderde verklaringen voor recht en het verzoek te bepalen dat zij haar aandeel kan verrekenen met haar vordering op [naam] , zijn geen incidentele vorderingen en worden dan ook niet in dit vonnis in incident behandeld. Voor zover deze vorderingen begrepen moeten worden als tegenvorderingen in de hoofdzaak, geldt dat daarop tegelijkertijd met de vorderingen bij een en hetzelfde eindvonnis in de hoofdzaak wordt beslist (artikel 138 lid 1 Rv Pro). Voor zover [gedaagde] heeft bedoeld vorderingen jegens [naam] in te stellen, dient zij haar vorderingen neer te leggen in een tot [naam] daartoe gericht processtuk.
Kosten
5.6.
[eiser] krijgt dus ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen die [gedaagde] voor dit incident heeft gemaakt. Deze kosten worden vastgesteld op € 75,00 (1,0 punt x tarief: € 75,00) aan salaris gemachtigde.
5.7.
Hierna in de beslissing staat welk bedrag [eiser] moet betalen aan nakosten. Dit is een standaard bedrag dat altijd wordt toegewezen aan de in het gelijk gestelde partij (in dit geval: [gedaagde] ), als vergoeding voor kosten voor haar gemachtigde en eventuele betekeningskosten die zij nog maakt na het wijzen van dit vonnis.

6.De beslissing

De kantonrechter
in het incident
6.1.
staat toe dat [naam] door [gedaagde] wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van
27 januari 2023,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 75,00,
6.3.
veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis aan de zijde van [gedaagde] ontstane nakosten, begroot op € 62,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en [eiser] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met de explootkosten van betekening van het vonnis,
6.4.
verklaart de betalingsveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
6.5.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
13 januari 2023voor beraad mondelinge behandeling,
6.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus gewezen door mr. M. Singeling, kantonrechter, bijgestaan door mr. L.J.P.C. Silven, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 december 2022.
De griffier De kantonrechter