ECLI:NL:RBAMS:2022:8030

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 juni 2022
Publicatiedatum
6 januari 2023
Zaaknummer
13/751992-21
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 12 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering op grond van artikel 12 OLW voor een vonnis, toestaan overlevering voor ander vonnis

De rechtbank Amsterdam behandelde op 8 juni 2022 de vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. Het EAB betreft twee vonnissen met gevangenisstraffen die nog niet volledig zijn uitgezeten.

De rechtbank onderzocht de identiteit van de opgeëiste persoon en stelde vast dat hij de Poolse nationaliteit heeft en correct werd geïdentificeerd. De overlevering werd gevraagd voor de uitvoering van twee vrijheidsstraffen, waarvan de ene betrekking heeft op een vonnis van 16 oktober 2013 en de andere op een vonnis van 7 mei 2014.

Voor het vonnis van 7 mei 2014 werd de overlevering geweigerd op grond van artikel 12 OLW Pro, omdat de opgeëiste persoon ten tijde van de zitting in detentie verkeerde en niet persoonlijk was verschenen, zonder dat een van de uitzonderingen van artikel 12 OLW Pro van toepassing was. De rechtbank oordeelde dat de Poolse autoriteiten onvoldoende zorg hadden gedragen voor het waarborgen van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon.

Voor het vonnis van 16 oktober 2013 werd de overlevering wel toegestaan, omdat aan de voorwaarden van de Overleveringswet was voldaan en geen weigeringsgronden aanwezig waren. De rechtbank besloot daarom de overlevering voor dat vonnis toe te staan en voor het andere vonnis te weigeren.

De uitspraak is definitief en staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering toe voor het vonnis van 16 oktober 2013 en weigert de overlevering voor het vonnis van 7 mei 2014.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751992-21
RK nummer: 22/2389
Datum uitspraak: 22 juni 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 april 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 augustus 2021 door
the Regional Court in Poznan, Third Criminal Division(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1985
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 8 juni 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Westerman.
De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, advocaat te Amsterdam.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
De opgeëiste persoon is op 12 mei 2022 door de officier van justitie onmiddellijk in vrijheid gesteld omdat de termijn om de opgeëiste persoon voor te geleiden was verstreken.
De officier van justitie heeft ter zitting niet de gevangenhouding gevorderd en de rechtbank heeft deze niet ambtshalve bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van twee vonnissen:
- II K 747/13: vonnis van 16 oktober 2013, gewezen door
the District Court in Lesznowaarin de opgeëiste persoon is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar, waarvan volgens informatie in het EAB nog 11 maanden en 27 dagen resteren:
- II K 154/14: vonnis van 7 mei 2014, gewezen door
the District Court in Lesznowaarin de opgeëiste persoon is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan volgens informatie in het EAB nog 9 maanden en 27 dagen resteren.
In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing in vonnis in zaak II K 747/13 heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van bovengenoemde vrijheidsstraffen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.
De vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro; zaak II K 154/14

Standpunt van de raadsvrouw
De overlevering ten aanzien van vonnis II K 154/14 dient te worden geweigerd aangezien niet is voldaan aan de vereisten zoals gesteld in artikel 12 OLW Pro.
Standpunt van de officier van justitie
De overlevering dient te worden geweigerd ten aanzien van vonnis II K 154/14 aangezien de opgeëiste persoon ten tijde van de inhoudelijke behandeling van zijn zaak op 7 mei 2014 in detentie verbleef en kennelijk niet is aangevoerd ter zitting van de Poolse rechtbank.
De plicht die uit artikel 139 van Pro het Poolse Wetboek van Strafvordering voortvloeit dat de opgeëiste persoon iedere adreswijziging doorgeeft aan justitie kan niet zo ver gaan dat ook als hij in detentie verblijft hij zijn adreswijziging moet doorgeven. De rechtbank kan onder deze omstandigheden dan ook niet afzien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was en niet in persoon is opgeroepen voor de zitting. Wel is de opgeëiste persoon op andere wijze in kennis gesteld van het tijdstip van de zitting. Verder staat in het EAB vermeld dat de opgeëiste persoon tweemaal is opgeroepen op het adres dat de opgeëiste persoon heeft opgegeven tijdens de opsporingsprocedure. De opgeëiste persoon is toen geïnstrueerd dat hij verplicht is om elke adreswijziging aan de autoriteiten door te geven. Ook is de opgeëiste persoon geïnformeerd dat de zaak buiten zijn afwezigheid kon worden afgedaan indien hij niet zou verschijnen. Ten slotte staat in het EAB vermeld dat de opgeëiste persoon een overeenkomst heeft gesloten die daarna door de rechtbank is bevestigd.
Uit de aanvullende informatie van de brief van 17 februari 2021 van de Poolse autoriteiten blijkt dat de opgeëiste persoon gedetineerd was van 25 maart 2014 tot en met 26 januari 2015 en dat de zitting waarop de zaak van de opgeëiste persoon is behandeld op 7 maart 2022 is geweest. Bij brief van 3 juni 2022 van de Poolse autoriteiten is de datum waarop de zitting heeft plaatsgevonden gecorrigeerd naar 7 mei 2014.
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de opgeëiste persoon gedetineerd was ten tijde van de zitting van 7 mei 2014 en dat hij dus onder de macht stond van de Poolse overheid. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon stilzwijgend afstand zou hebben gedaan van zijn verdedigingsrechten door niet tijdig zijn adres wijziging door te geven. De opgeëiste persoon was immers als gedetineerde in de macht van de Poolse justitie en het lag derhalve op de weg van de Poolse justitie om te achterhalen waar de opgeëiste persoon verbleef.
De rechtbank zal de overlevering van de opgeëiste persoon dan ook weigeren ten aanzien van het vonnis in zaak II K 154/14.

5.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit van vonnis II K 747/13 niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
diefstal
en
diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

6.Slotsom

Nu ten aanzien van het feit van vonnis II K 747/13 waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor die feiten te worden toegestaan. Voor het feit van vonnis II K 154/14 moet de overlevering worden geweigerd.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Poznan, Third Criminal Division(Polen) voor het feit van vonnis II K 747/13, zoals die is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]voor zover het
EAB betrekking heeft op de vrijheidsstraf die is opgelegd wegens het feit van vonnis II K 154/14.
Aldus gedaan door
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. M. van Mourik en S.E. Bauduin, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 22 juni 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.