De rechtbank Amsterdam behandelde op 14 december 2022 de vordering tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan Denemarken op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank Randers. Het EAB betreft verdenkingen van deelname aan een criminele organisatie en illegale handel in verdovende middelen, waarbij de verdachte wordt verdacht van het smokkelen van aanzienlijke hoeveelheden cocaïne, heroïne en versnijdingsmiddelen.
De verdediging voerde aan dat het EAB onvoldoende specifiek was over de rol van de verdachte en de periode van de feiten, en verzocht primair om weigering van overlevering en subsidiair om aanhouding van de procedure. De rechtbank oordeelde dat het EAB en de bijbehorende stukken voldoende duidelijkheid bieden over de strafbare feiten, de betrokkenheid van de verdachte en de naleving van het specialiteitsbeginsel, zodat de overlevering kan worden toegestaan.
Verder is vastgesteld dat de feiten op de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet vallen, waardoor het onderzoek naar dubbele strafbaarheid achterwege blijft. De rechtbank nam ook kennis van de garantie van de Deense autoriteiten dat de verdachte, indien veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, deze in Nederland kan ondergaan. Gezien het ontbreken van weigeringsgronden en de voldoende waarborgde terugkeergarantie, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan.
Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open, waarmee de procedure definitief is afgerond.