De rechtbank Amsterdam behandelde op 14 december 2022 de vordering tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan Denemarken op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank Randers. De verdachte werd verdacht van het smokkelen van cocaïne en heroïne en deelname aan een criminele organisatie in de periode van februari tot mei 2022.
De verdediging voerde aan dat het EAB niet genoegzaam was omdat de rol van de verdachte onvoldoende was omschreven en er sprake zou zijn van een discrepantie in het aantal strafbare feiten. De rechtbank oordeelde echter dat het EAB voldoende informatie bevatte over de feiten, de betrokkenheid van de verdachte en de naleving van het specialiteitsbeginsel, zodat de overlevering kon worden toegestaan.
De rechtbank stelde vast dat de feiten op de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet vallen, waardoor het onderzoek naar dubbele strafbaarheid achterwege blijft. Daarnaast werd een terugkeergarantie gegeven door de Deense autoriteiten, waarmee werd gewaarborgd dat de verdachte een eventuele opgelegde straf in Nederland kan ondergaan.
Gezien het voldoen aan alle wettelijke vereisten en het ontbreken van weigeringsgronden, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.