De rechtbank Amsterdam behandelde op 29 november 2022 de vordering tot overlevering van een Poolse veroordeelde op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Olsztyn. De opgeëiste persoon werd verdacht van illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen en heeft een onherroepelijke vrijheidsstraf van drie jaar opgelegd gekregen, waarvan nog ruim twee jaar resteren.
De rechtbank stelde vast dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verbleef en daarmee gelijkgesteld kan worden aan een Nederlander volgens artikel 6a OLW. Tevens concludeerde de rechtbank op basis van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht in Nederland niet zal verliezen door de straf. Daarom kan de overlevering worden geweigerd en de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland worden overgenomen.
De verdediging verzocht om aanhouding van de procedure vanwege de slechte mentale en fysieke toestand van de opgeëiste persoon en lopende verzoeken in Polen tot uitstel van tenuitvoerlegging en intrekking van het EAB. Dit verzoek werd afgewezen omdat het wettelijke kader geen ruimte biedt voor aanhouding buiten de beslistermijn en onvoldoende concrete aanwijzingen bestonden voor intrekking van het EAB.
De rechtbank besloot de overlevering te weigeren, de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland te bevelen en de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging te gelasten. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.