De rechtbank Amsterdam behandelde op 14 december 2022 de vordering tot overlevering van een Nederlander aan België op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Hof van beroep te Luik. De opgeëiste persoon is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar, waarvan nog 2078 dagen resteren.
De rechtbank stelde vast dat de beslistermijn van 90 dagen voor de overleveringsprocedure was verstreken, waardoor geen overleveringsdetentie meer mogelijk was. De identiteit van de opgeëiste persoon werd bevestigd en de strafbare feiten betroffen deelneming aan een criminele organisatie en illegale handel in verdovende middelen, opgenomen in bijlage 1 van de Overleveringswet.
De rechtbank oordeelde dat de weigeringsgrond van artikel 6a Overleveringswet van toepassing is omdat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit bezit en een resocialisatiebelang in Nederland heeft. Er waren geen nieuwe feiten die dit tegenspraken, en de opgeëiste persoon wenste niet expliciet zijn straf in België uit te zitten. De rechtbank besloot daarom de overlevering te weigeren en de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland te bevelen, inclusief het opheffen van de overleveringsdetentie en het bevel tot gevangenhouding tot aan de strafuitvoering.