Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De vordering en de grondslag daarvan
3.Het wederrechtelijk verkregen voordeel
[benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 3] . De opsteller van het rapport heeft de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op de winst die de veroordeelde met de verkoop van deze weggenomen goederen zou hebben verdiend.
De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat veroordeelde heeft meegedeeld in de opbrengst van de verkoop van het horloge van [benadeelde partij 1] , zodat de opbrengst van de verkoop van het horloge van [benadeelde partij 1] niet zal worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel voor veroordeelde.
€ 1.800,00 heeft gekregen. Uit het rapport volgt dat € 7.200,00 een aannemelijke opbrengst is voor de verkoop van het bij [benadeelde partij 2] weggenomen horloge. [1] Nu de opbrengst door vier daders is verdeeld wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel ten behoeve van veroordeelde vastgesteld op één vierde deel van € 7.200,00, te weten op € 1.800,00.
4.De verplichting tot betaling
5.Toepasselijke wettelijke voorschriften
6.Beslissing
[veroordeelde]de verplichting tot betaling van
€ 5.979,99. (vijfduizendnegenhonderdnegenenzeventig euro en negenennegentig eurocent) aan de Staat.