De rechtbank Amsterdam heeft op 21 september 2022 uitspraak gedaan in een zaak betreffende de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een veroordeelde die is veroordeeld voor handel in cocaïne. De periode van de handel besloeg 196 dagen, van 1 augustus 2020 tot en met 12 februari 2021, inclusief de dag van aanhouding.
De rechtbank baseert de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een ontnemingsrapport waarin het aantal deals per dag is geschat op 10,68, waarbij per deal gemiddeld een halve gram cocaïne werd verkocht. De verkoopprijs werd vastgesteld op €25 per halve gram, met een geschatte inkoopprijs van €15 per halve gram, rekening houdend met het feit dat kleinere hoeveelheden duurder zijn dan kilohoeveelheden. De totale opbrengst uit verkoop werd geraamd op €52.350, terwijl de totale kosten inclusief inkoop en vervoerskosten €32.499,49 bedroegen.
Hieruit volgt een wederrechtelijk verkregen voordeel van €19.850,51, dat veroordeelde aan de Staat moet betalen. De rechtbank heeft geen reden gezien om de betalingsverplichting te verlagen. De duur van de gijzeling die de officier van justitie kan vorderen is vastgesteld op maximaal 397 dagen.
De uitspraak is gebaseerd op het vonnis van 3 juni 2021 waarin veroordeelde werd veroordeeld voor medeplegen van handel in cocaïne, het ontnemingsrapport van 16 juni 2021 en het proces-verbaal van 26 april 2022. De rechtbank heeft de vordering van het Openbaar Ministerie toegewezen en de betalingsverplichting opgelegd.