ECLI:NL:RBAMS:2022:8463

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 maart 2022
Publicatiedatum
22 maart 2023
Zaaknummer
C/13/680888 / FA RK 20-1223
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253c BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing gezamenlijk gezag en vaststelling omgangsregeling tussen ouders

De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek tot wijziging van het gezag en de omgangsregeling tussen een man en een vrouw over hun minderjarige kind. Eerder was vervangende toestemming verleend voor erkenning en een omgangsregeling vastgesteld. De procedure werd aangehouden vanwege de verblijfsstatus van de man.

Na diverse schriftelijke stukken en een mondelinge behandeling besloten partijen mediation niet voort te zetten en vroegen de rechtbank een beslissing te nemen. De vrouw trok haar verzoek tot kinderbijdrage in vanwege het ontbreken van inkomen bij de man. De man verzocht om gezamenlijk gezag en uitbreiding van de omgangsregeling, terwijl de vrouw dit gezagsverzoek afwees en stelde dat er geen emotionele band is.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde af te zien van gezamenlijk gezag vanwege de prille relatie en onzekerheid over de verblijfsstatus. De rechtbank oordeelde dat het verzoek tot gezamenlijk gezag moest worden afgewezen omdat er nauwelijks communicatie is en het niet in het belang van het kind is bij verblijf in verschillende landen. Wel werd de voorgestelde uitbreiding van de omgangsregeling toegewezen, waarbij de man het kind vaker mag zien en halen en brengen.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden bestreden bij het Gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: Verzoek tot gezamenlijk gezag afgewezen, uitbreiding omgangsregeling toegewezen.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/680888 / FA RK 20-1223 (HH/LS)
Beschikking van 16 maart 2022 betreffende wijziging van het gezag
in de zaak van:
[de man] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. Y.M. Schrevelius te Rotterdam,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. R.G.J. van Ommeren te Amsterdam.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Amsterdam, locatie Amsterdam,
hierna te noemen: de Raad.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 11 november 2020, welke beschikking als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd, is vervangende toestemming verleend aan de man om de minderjarige te erkennen, een omgangsregeling tussen de man en de minderjarige bepaald en is de behandeling omtrent het gezag en de kinderbijdrage aangehouden tot 24 mei 2021. De zaak is nadien voor vier maanden aangehouden om de vreemdelingenzaak van de man af te wachten, totdat er meer duidelijk zou zijn over de verblijfsstatus van de man en zijn terugkeer op de arbeidsmarkt.
1.2.
De rechtbank heeft nadien kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • Een F9-formulier van de man, ingekomen op 19 mei 2021;
  • Een brief van de vrouw, d.d. 18 juni 2021;
  • Een brief van de vrouw, d.d. 1juli 2021.
1.3.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 januari 2022.
Verschenen zijn:
  • De man met zijn advocaat;
  • De vrouw met haar advocaat;
  • mw. [naam] namens de Raad.
1.4.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen toegezegd te zullen bekijken of mediation een geschikt middel is om hun geschil omtrent de wijziging van het gezag en de omgangsregeling op te lossen.
1.5.
Na de mondelinge behandeling zijn, zoals afgesproken, nog de volgende stukken ontvangen:
  • Een F9-formulier d.d. 28 februari 2022 van de zijde van de vrouw;
  • Een F9-formulier d.d. 1 maart 2022 van de zijde van de man.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Uit de berichten van partijen die na de mondelinge behandeling zijn binnen gekomen volgt dat partijen de mediation niet wensen voort te zetten, en zij verzoeken de rechtbank om een beslissing te nemen.
2.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw het verzoek tot het vaststellen van een kinderbijdrage ingetrokken. Gebleken is dat de man geen inkomen heeft en zodoende niet in staat is tot het betalen van een kinderbijdrage.
2.3.
Thans dient de rechtbank nog te beslissen omtrent de omgangsregeling en het gezag.
2.4.
De man meent, ondanks dat er nog verbetering mogelijk is in de communicatie – dat de man een zodanige band heeft opgebouwd met [minderjarige] en de vrouw dat er geen redenen zijn om hem het gezag te ontzeggen. De man verzoekt dan ook om hem mede te belasten met het gezag. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man naar voren gebracht dat de omgangsregeling inmiddels al een tijdje loopt. De man ziet [minderjarige] een weekend in de twee weken, en dat is steeds goed gegaan. Daarnaast delen partijen de vakanties. Af en toe is de omgang niet door gegaan en de man zou dan gecompenseerd willen worden. Daarnaast zou de man [minderjarige] vaker willen zien. De man stelt voor om de omgang als volgt uit te breiden:
  • in de week dat hij geen omgangsweekend heeft verzoekt de man [minderjarige] op vrijdag bij zich te hebben van ‘s ochtends 10:00 uur tot ’s avonds 19:00 uur, waarbij de man haalt en brengt;
  • daarnaast zou de man het omgangsweekend ook willen uitbreiden, dus van vrijdag 10:00 uur tot zondag 18:00 uur.
De man is in een procedure over zijn verblijfsvergunning, in dat kader is het ook van belang dat er een echte omgang loopt, zodat de IND er ook geen reden ziet om hem geen verblijf te geven. Dit is echter niet de reden waarom de man het gezamenlijk gezag en uitbreiding van de omgang wenst.
2.5.
De vrouw stelt dat er naast de paar omgangsmomenten in de weekenden helemaal geen contact is tussen de man en [minderjarige] . De man heeft niets laten weten toen [minderjarige] ziek was en toen hij jarig was, en krijg na de omgangsmomenten geen enkele terugkoppeling. De omgangsregeling verloopt aldus zeer stroef, maar het is niet juist dat de vrouw hier de oorzaak van is. De vrouw blijft bij haar standpunt dat de man geen emotionele band heeft met [minderjarige] en dit slechts gebruikt voor zijn verblijfsvergunning. De vrouw handhaaft haar verzoek om het verzoek van de man om wijziging van het gezag naar het gezamenlijk gezag af te wijzen. Zij verzoekt de rechtbank om de Raad onderzoek te laten doen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw aangegeven dat zij van de man wenst dat hij meer betrokken is bij [minderjarige] en meer initiatief toont. De vrouw heeft verder aangegeven geen bezwaar te hebben tegen uitbreiding van de omgang.
2.6.
De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling het volgende aangevoerd. Het is een compliment waard dat er al omgang loopt. De Raad begrijpt dat de man meer contact wil, de frequentie is van de omgang is van belang. De Raad begrijpt ook dat de vrouw meer betrokkenheid wenst van de man. De Raad ziet twee ouders die het beste willen voor hun kind en hoopt dat ze er met behulp van bijvoorbeeld mediation uit kunnen komen. De Raad meent dat er op dit moment nog geen sprake kan zijn van gezamenlijk gezag. Alles is nog heel erg pril en het is nog niet zeker dat man in Nederland kan blijven. Bij gezamenlijk gezag op afstand voorziet de Raad eigenlijk alleen maar problemen. De Raad acht het wenselijk dat de man en [minderjarige] elkaar eerst goed leren kennen, voordat er gezamenlijk gezag komt.
Gezag
2.7.
Op grond van artikel 1:253c, eerste en tweede lid Burgerlijk Wetboek (BW), kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt, wordt het verzoek slechts afgewezen indien:
a. a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
2.8.
De rechtbank zal het verzoek van de man afwijzen. Uit de stukken en uit de verklaringen van partijen blijkt dat, hoewel de omgang loopt, er nauwelijks tot geen communicatie is tussen partijen. Daarnaast is de verblijfsstatus van de man nog onbekend, en de rechtbank acht het niet in het belang van [minderjarige] dat partijen het gezag zullen delen indien zij niet in hetzelfde land verblijven. De rechtbank sluit zich aan bij het advies van de Raad dat het wenselijk is dat de man en [minderjarige] elkaar eerst leren kennen en dat er zekerheid komt omtrent zijn verblijfsstatus.
Omgangsregeling
2.9.
De rechtbank overweegt als volgt. Nu de vrouw geen bezwaar heeft tegen het verzoek tot uitbreiding van de omgang, zal de rechtbank het voorstel van de man toewijzen.
2.10.
Mitsdien wordt als volgt beslist.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
bepaalt in het kader van een omgangsregeling dat de man [minderjarige] bij zich zal hebben:
  • Een keer per veertien dagen van vrijdag 10:00 uur tot zondag 18:00 uur;
  • In de week dat er geen weekendregeling is op vrijdag van 10:00 uur tot 19:00 uur;
waarbij de man [minderjarige] haalt en brengt;
3.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. H.P.E. Has, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. L.G.M. Sol, griffier, op 16 maart 2022. [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).