Uitspraak
1.Procesverloop
door de burgemeester van de gemeente Amsterdam op 1 februari 2023 jegens haar opgelegde
crisismaatregel.
Rechtbank Amsterdam
Op 1 februari 2023 nam de burgemeester van Amsterdam een crisismaatregel jegens verzoeker. Verzoeker stelde tijdig beroep in tegen deze maatregel op grond van artikel 7:6 Wvggz Pro. De rechtbank beoordeelde of de hoorplicht, zoals voorgeschreven in artikel 7:1 lid 3 sub b Wvggz Pro, was nageleefd.
Verzoeker stelde dat zij voorafgaand aan de crisismaatregel niet adequaat was gehoord. Tijdens een telefoongesprek met de GGD werd haar niet duidelijk gemaakt dat dit gesprek namens de burgemeester plaatsvond of dat het ging om een hoorplicht in het kader van de crisismaatregel. De rechtbank concludeerde dat hierdoor niet voldaan was aan de hoorplicht, omdat betrokkene niet ondubbelzinnig afstand had gedaan van haar recht om gehoord te worden.
De gemeente voerde aan dat de hoorplicht was gemandateerd aan de GGD en dat betrokkene had aangegeven niet gehoord te willen worden. De rechtbank oordeelde echter dat de GGD zich had moeten vergewissen van de hoedanigheid van het gesprek en het belang ervan. Ondanks de schending van de hoorplicht wees de rechtbank af om de crisismaatregel niet voort te zetten, mede omdat de maatregel later door de rechter werd verlengd na een hoorzitting.
De rechtbank veroordeelde de gemeente Amsterdam tot betaling van een billijke schadevergoeding van €150 aan verzoeker wegens de niet-naleving van de hoorplicht en wees het overige af.
Uitkomst: Het beroep tegen de crisismaatregel is gegrond verklaard wegens niet-naleving van de hoorplicht en de gemeente is veroordeeld tot betaling van €150 schadevergoeding.