Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2022:8629

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 april 2022
Publicatiedatum
15 augustus 2023
Zaaknummer
13-703129-16
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs verboden wapenbezit en bedreiging met vuurwapen

Op 17 november 2016 ontving de politie een melding van een bedreiging met een vuurwapen op een locatie in Amsterdam. De melder gaf een kenteken en een omschrijving van een persoon met een lange zwarte jas en rode trui met capuchon. Agenten zagen kort daarna een auto met dat kenteken rijden en volgden deze. Tijdens de achtervolging gooide de bijrijder een geladen vuurwapen uit de auto. Verdachte was de bestuurder en werd aangehouden samen met een medeverdachte.

Verdachte werd beschuldigd van het voorhanden hebben van een verboden vuurwapen en munitie en van bedreiging met een vuurwapen. De officier van justitie stelde dat het vuurwapenbezit bewezen was, maar vorderde vrijspraak voor de bedreiging. De verdediging betwistte beide feiten, onder meer omdat het niet vaststond dat verdachte degene was die het vuurwapen had getoond en gegooid, en omdat er geen slachtoffer bekend was.

De rechtbank oordeelde dat de bedreiging niet bewezen was, omdat niet vaststond dat verdachte de persoon was die het vuurwapen had gepakt en in de auto was gestapt. Ook het vuurwapenbezit was niet bewezen, omdat het enkel feit dat verdachte de bestuurder was en naast de bijrijder zat die het wapen gooide, onvoldoende was om beschikkingsmacht aan te nemen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van het voorhanden hebben van een verboden vuurwapen en van bedreiging wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS
Parketnummer: 13-703129-16 (Promis)
Datum uitspraak: 14 april 2022
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1991,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres verdachte] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting op 14 april 2022.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. van Haeringen en van wat verdachte en zijn raadsman mr. E. Tuzkapan naar voren hebben gebracht.

2.Inleiding en tenlastelegging

De politie ontvangt op 17 november 2016 omstreeks 13:45 uur een melding dat er net een bedreiging met een vuurwapen heeft plaatsgevonden op [locatie 1] . De melder vertelt dat een persoon een vuurwapen heeft getrokken en vervolgens is weggereden in een auto. Hij geeft ook het kenteken van de auto door aan de politie en zegt dat de persoon een lange zwarte jas en rode trui met capuchon droeg. Het betreffende kenteken is geregistreerd op [locatie 2] in Amsterdam. Agenten zien even later de auto met dat kenteken in de omgeving van [locatie 2] rijden en volgen deze auto. In de auto zitten twee personen. De bestuurder draagt een zwarte jas en een rode capuchon. De agenten geven hem een stopteken dat hij negeert. Bij de daaropvolgende achtervolging zien de agenten dat er door de bijrijder een voorwerp uit de auto wordt gegooid dat in de berm terecht komt. Dit blijkt een geladen vuurwapen te zijn. De agenten stoppen de auto en verdachte blijkt de bestuurder te zijn. De medeverdachte zit op dat moment naast hem in de auto. Beiden worden om 14:00 uur aangehouden.
Verdachte wordt er in deze strafzaak van beschuldigd dat hij op 17 november 2016 in Amsterdam en/of Breukelen een verboden vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad
(feit 1).
Daarnaast wordt hij ervan verdacht dat hij op dezelfde dag in Amsterdam een onbekend gebleven persoon heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling, door opzettelijk dreigend een vuurwapen te pakken en/of trekken en in de richting van of in de buurt van die persoon te houden (feit 2).
De gehele tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Vrijspraak

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie bewezen verklaard kan worden. De politie heeft gezien dat de bijrijder een verboden vuurwapen uit de auto gegooid heeft. Kort daarvoor heeft een getuige gezien dat een persoon met een zwarte jas en een rode capuchon op straat een vuurwapen heeft getoond en in een auto is weggereden. De getuige heeft het kenteken van de auto doorgegeven. De agenten treffen in die auto een man aan die de omschreven kleding draagt en dat blijkt verdachte te zijn. De officier van justitie vindt dat dit alles bij elkaar maakt dat bewezen kan worden dat verdachte die dag een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad.
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van de tenlastegelegde bedreiging.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van beide feiten bepleit.
Ten aanzien van de tenlastegelegde bedreiging heeft hij naar voren gebracht dat de verklaring dat een bedreiging heeft plaatsgevonden niet als bewijs kan worden gebruikt nu de melder een onbekende persoon is en de politie en de verdediging diegene niet hebben kunnen bevragen. Ook videobeelden die zijn gemaakt op [locatie 1] en de beschrijving daarvan geven geen uitsluitsel. Het blijkt niet dat verdachte op de beelden is te zien en het kenteken van de auto is niet zichtbaar. Ook is er geen vuurwapen of bedreiging te zien. Ten slotte is er ook geen slachtoffer bekend.
Met betrekking tot het vuurwapen en de munitie heeft de raadsman naar voren gebracht dat uit de verklaring van de melder niet volgt dat verdachte degene is die hij met het vuurwapen heeft gezien. De melder beschrijft de kleding van de dader maar er zijn meer personen met dergelijke kleding. Er kan ook niet objectief worden vastgesteld dat het om de auto van verdachte ging. Dat het vuurwapen uit de auto van verdachte gegooid is, wil niet zeggen dat hij zich van de aanwezigheid van het vuurwapen bewust is geweest en beschikkingsmacht over het vuurwapen heeft gehad. Hij heeft het wapen niet in zijn handen gehad. Ten aanzien van de munitie die bij de fouillering is aangetroffen is niet vastgesteld dat het om een verboden voorwerp ging.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht – met de officier van justitie en de verdediging – de onder 2 tenlastegelegde bedreiging niet bewezen. Daarnaast vindt de rechtbank - anders dan de officier van justitie - ook het onder 1 tenlastegelegde vuurwapenbezit niet bewezen. Verdachte zal dan ook van alle feiten worden vrijgesproken.
Feit 2 Bedreiging
De rechtbank vindt op basis van het dossier en hetgeen op zitting is besproken niet bewezen dat verdachte iemand bedreigd heeft. Allereerst kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte de persoon is die volgens de melder een vuurwapen heeft gepakt en in de auto is gestapt. De auto is weggereden en uit beeld verdwenen. Dat de politie verdachte korte tijd later in een auto aantreft waarvan het type en kenteken overeenstemt met de auto in de melding, wil niet zeggen dat verdachte ook op [locatie 1] geweest is en daar in de auto is gestapt. Het enkele feit dat verdachte kledingstukken draagt die overeenkomen met kledingstukken die de melder heeft omschreven vindt de rechtbank daarvoor onvoldoende, zeker nu het geen unieke kleding met uitzonderlijke kenmerken betreft. Bovendien blijkt uit de verklaring van de melder onvoldoende op wat voor manier en onder welke omstandigheden het vuurwapen is vastgehouden om te kunnen vaststellen of er sprake is geweest van een bedreiging. De rechtbank spreekt verdachte daarvan vrij.
Feit 1 Verboden wapenbezit
De politie heeft gezien dat er een vuurwapen uit de auto is gegooid. Verdachte bestuurde op dat moment die auto. De persoon die naast hem zat, heeft het vuurwapen uit de auto gegooid. Het enkele feit dat verdachte op dat moment als bestuurder in de auto aanwezig was en naast diegene zat, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat verdachte beschikkingsmacht over het vuurwapen heeft gehad. Er bevindt zich in het dossier dan ook onvoldoende bewijs dat verdachte het vuurwapen en de munitie in de auto voorhanden heeft gehad. Zoals hiervoor ten aanzien van feit 2 overwogen vindt de rechtbank ook niet bewezen dat verdachte de persoon is die volgens de melder op straat het vuurwapen heeft gepakt. De rechtbank vindt dan ook niet bewezen dat verdachte die dag een vuurwapen en/of munitie voorhanden heeft gehad, zodat de rechtbank hem daarvan zal vrijspreken.

4.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Vaandrager, voorzitter,
mrs. P.L.C.M. Ficq en A.C.J. Klaver, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Steenbakkers, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 april 2022.
[...]
.