De werknemer, store manager bij Primark Amsterdam, werd op 7 juli 2022 op non-actief gesteld na meldingen van grensoverschrijdend gedrag. Primark startte een bodemprocedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar gedrag, terwijl de werknemer verzocht werd weer aan het werk te mogen.
De kantonrechter wees het ontbindingsverzoek af en bepaalde dat de werknemer weer toegelaten moest worden tot zijn werk, maar verklaarde dit niet uitvoerbaar bij voorraad. Primark ging in hoger beroep, waardoor de tenuitvoerlegging werd geschorst.
In dit kort geding vorderde de werknemer dat de beschikking van de kantonrechter alsnog uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Primark stelde zich op het standpunt dat dit niet mogelijk was en dat de angst van personeel voor terugkeer van de werknemer zwaarwegend is.
De kantonrechter oordeelde dat het belang van de werknemer bij terugkeer zwaarder weegt dan het belang van Primark bij behoud van de status quo. De angstgevoelens van personeel waren niet objectief gerechtvaardigd en Primark had onvoldoende gedaan om deze weg te nemen. De werknemer moet binnen twee weken weer aan het werk worden toegelaten, op straffe van een dwangsom.
Primark werd veroordeeld in de proceskosten en de vorderingen van Primark tot overplaatsing werden afgewezen.