Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De beschuldiging
3.Inleiding
4.De waardering van het bewijs
Er wordt immers beschreven dat de rechterhand zich voor aan het gelaat of mogelijk zelfs (ten aanzien van het slachtoffer) iets rechts aan het gelaat bevond voorafgaand aan de val. Om tot de beschreven eindsituatie te komen dienen die hand en de schroevendraaier tijdens de val naar de achterzijde van het hoofd bewogen te zijn met de schroevendraaier uiteindelijk in opstaande en gefixeerde positie. Daarnaast werd beschreven en voorgedaan dat dhr. [verdachte] met zijn lichaam op het lichaam van het slachtoffer viel en er derhalve buiten de val geen bijkomende kracht op het hoofd zou zijn uitgeoefend toen het hoofd op de schroevendraaier terechtgekomen zou zijn.
(“Ik heb hem vermoord.”en
“Ik heb hem gestoken.”)niet van belang voor het bewijs, aangezien dit kennelijk de manier is waarop verdachte zich uitdrukt. Zelfs op de zitting gebruikte verdachte deze bewoordingen, wat de rechtbank veelzeggend vindt. Kennelijk voelt het voor verdachte zo dat hij [slachtoffer] heeft vermoord. Hierbij moet worden meegewogen dat de betekenis die de gemiddelde Nederlander in het dagelijks spraakgebruik toekent aan het woord ‘vermoord’ niet dezelfde hoeft te zijn als de juridische definitie. De woordkeuze van verdachte laat dus de mogelijkheid van het per ongeluk steken open.
5.De bewezenverklaring
6.De strafbaarheid van de feiten
7.De strafbaarheid van verdachte
8.De strafoplegging
9.Het beslag
10.Ten aanzien van de nabestaanden en de schadevergoedingsmaatregel
11.De toepasselijke wettelijke voorschriften
12.Beslissing
[verdachte], daarvoor strafbaar.
gevangenisstrafvan
30 (dertig) maanden.
niet-ontvankelijkin zijn vordering tot schadevergoeding.