Eiser, een alleenstaande man met zijn zoon, verbleef sinds medio 2019 in opvang en vroeg op 22 oktober 2021 een urgentieverklaring aan bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het college wees de aanvraag af omdat niet aan de voorwaarden werd voldaan, onder meer vanwege de inschrijving van het kind en het ontbreken van bewijs van dagelijkse zorg.
Eiser voerde aan dat er wel degelijk sprake is van een urgent huisvestingsprobleem en dat de hardheidsclausule toegepast moet worden vanwege de bijzondere gezinssituatie en psychische problemen van de moeder. De voorzieningenrechter had eerder vastgesteld dat het college welwillend stond tegenover de urgentieverlening, mits eiser de gevraagde documenten zou aanleveren.
De rechtbank constateert dat eiser de gevraagde documenten heeft overgelegd, waaronder een gelegaliseerd ouderschapsplan. Het college verlangde echter onredelijkerwijs een prognose over de duur van het verblijf van het kind bij eiser om misbruik uit te sluiten, zonder concrete aanwijzingen voor fraude. Dit is in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en beveelt het college om binnen vier weken een urgentieverklaring te verlenen. Tevens moet het college het griffierecht en proceskosten aan eiser vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter M.A.J. van Beek op 10 maart 2023.