ECLI:NL:RBAMS:2023:1457
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geschil over redelijkheid voorschotbedrag nutsvoorzieningen na uitspraak Huurcommissie
De huurder woont sinds 2007 in een appartement waarvan de verhuurder sinds 2019 eigenaar is. Er is één gezamenlijke meter voor nutsvoorzieningen voor het gehuurde en een ruimte op de begane grond. De huurder verzocht verlaging van het voorschotbedrag, waarop de Huurcommissie aanvankelijk €161 per maand handhaafde, maar na verzet het bedrag verlaagde naar €128 per maand.
De verhuurder stelde dat de huurder onjuiste informatie had gegeven aan de Huurcommissie, waardoor het voorschot ten onrechte werd verlaagd, en vorderde een schadevergoeding van €300 en terugkeer naar het hogere voorschot. De huurder voerde aan dat de dagvaarding nietig was en dat er wel degelijk sprake is van gebruik van nutsvoorzieningen door derden.
De kantonrechter oordeelde dat de dagvaarding niet nietig was en dat de vordering tot schadevergoeding gebaseerd was op een onrechtmatige daad, maar dat geen oorzakelijk verband bestond tussen de vermeende onwaarheden en de beslissing van de Huurcommissie. Verder stelde de kantonrechter vast dat er sprake is van verbruik door derden en dat de berekening van de onafhankelijke rapporteur, die het voorschot op €128 stelde, redelijk is.
De kantonrechter bepaalde dat het voorschotbedrag per 1 december 2021 €128 bedraagt, wees de schadevergoeding af en veroordeelde de verhuurder tot betaling van de proceskosten aan de huurder.
Uitkomst: Het voorschotbedrag voor nutsvoorzieningen wordt vastgesteld op €128 per maand vanaf 1 december 2021 en de vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen.