ECLI:NL:RBAMS:2023:1511

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 maart 2023
Publicatiedatum
17 maart 2023
Zaaknummer
AWB - 22/4465
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1 WroArt. 8:67 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag planschade voor woonschip nabij nieuwe brug in Amsterdam

De gemeenteraad van Amsterdam heeft een bestemmingsplan en uitwerkingsplan vastgesteld die de aanleg van een nieuwe brug mogelijk maken nabij de vaste ligplaats van het woonschip van eiser. Eiser heeft bij het college van burgemeester en wethouders een aanvraag ingediend voor vergoeding van planschade op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat planschadevergoeding volgens artikel 6.1 van de Wro alleen kan worden toegekend voor onroerende zaken, terwijl het woonschip van eiser een roerende zaak is. Eiser stelde dat deze regeling discriminerend is en dat hij vanwege het ontbreken van alternatieve ligplaatsen in Amsterdam benadeeld wordt. De rechtbank volgt echter de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die oordeelt dat het onderscheid tussen roerende en onroerende zaken objectief en redelijk is, mede omdat roerende zaken verplaatst kunnen worden en daardoor minder invloed ondervinden van planologische ontwikkelingen.

Daarnaast heeft eiser gesteld dat hij ook immateriële schade lijdt door onzekerheid, geluidsoverlast en verplaatsing van zijn woonschip. De rechtbank oordeelt dat deze schade geen planologische schade is in de zin van de Wro en dat er onvoldoende is gesteld om een immateriële schadevergoeding toe te kennen.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de aanvraag voor planschadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor planschadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/4465

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van10 maart 2023 in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college

(gemachtigde: mr. A. Barada).

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser om planschade op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 26 augustus 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 september 2022 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Met inachtneming van artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht heeft de rechtbank onmiddellijk na sluiting van het onderzoek op de zitting mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dus geen recht heeft op (plan)schadevergoeding.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Op 14 juli 2015 heeft de gemeenteraad van Amsterdam het bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan] ’ vastgesteld. Op 17 juli 2018 heeft de gemeenteraad het uitwerkingsplan ‘ [naam uitwerkingsplan] ’ vastgesteld. Deze plannen maken de aanleg van een nieuwe brug mogelijk nabij eisers vaste ligplaats van zijn woonschip ‘ [naam] ’. Eiser heeft bij het college vergoeding van planschade aangevraagd.
3. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat planschade op grond van artikel 6.1 van de Wro alleen kan worden toegekend voor onroerende zaken. Eisers woonschip is een roerende zaak. Eiser stelt dat de Wro iedereen die een roerende zaak bezit discrimineert. De rechtbank stelt vast dat de wet inderdaad een onderscheid maakt tussen mensen die een roerende zaak bezitten en mensen die een onroerende zaak bezitten. In die zin is sprake van ongelijke behandeling. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft zich hierover uitgelaten en geoordeeld dat hiervoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging is. [1] Anders dan een onroerende zaak, kan een roerende zaak, zoals een woonschip, buiten de invloedssfeer van de planologische ontwikkeling worden verplaatst, zodat die ontwikkeling geen betekenis meer heeft voor de waarde van de betrokken roerende zaak. Eiser stelt dat dit voor hem niet geldt, omdat in Amsterdam geen andere ligplaats te krijgen is. De rechtbank is dit niet met eiser eens, want gebleken is dat eiser wel een andere ligplaats gekregen heeft. Bovendien is eiser niet gebonden aan een ligplaats in Amsterdam. De rechtbank volgt de uitspraak van de Afdeling dus. Eiser heeft bovendien gesteld dat hij naast financiële schade ook andere schade heeft, namelijk schade die hij heeft geleden en lijdt als gevolg van onzekerheid, geluidsoverlast en de verplaatsing van zijn woonschip. De rechtbank oordeelt dat dit geen planologische schade is in de zin van de Wro en daarom niet voor vergoeding op grond van de Wro in aanmerking komt. Voor zover eiser immateriële schade heeft willen vorderen is te weinig gesteld om vast te kunnen stellen dat eiser die schade lijdt als gevolg van handelen van verweerder.
4. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Kuiken, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.J. van ’t Hoff, griffier, op 10 maart 2023.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:32.