De gemeenteraad van Amsterdam heeft een bestemmingsplan en uitwerkingsplan vastgesteld die de aanleg van een nieuwe brug mogelijk maken nabij de vaste ligplaats van het woonschip van eiser. Eiser heeft bij het college van burgemeester en wethouders een aanvraag ingediend voor vergoeding van planschade op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat planschadevergoeding volgens artikel 6.1 van de Wro alleen kan worden toegekend voor onroerende zaken, terwijl het woonschip van eiser een roerende zaak is. Eiser stelde dat deze regeling discriminerend is en dat hij vanwege het ontbreken van alternatieve ligplaatsen in Amsterdam benadeeld wordt. De rechtbank volgt echter de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die oordeelt dat het onderscheid tussen roerende en onroerende zaken objectief en redelijk is, mede omdat roerende zaken verplaatst kunnen worden en daardoor minder invloed ondervinden van planologische ontwikkelingen.
Daarnaast heeft eiser gesteld dat hij ook immateriële schade lijdt door onzekerheid, geluidsoverlast en verplaatsing van zijn woonschip. De rechtbank oordeelt dat deze schade geen planologische schade is in de zin van de Wro en dat er onvoldoende is gesteld om een immateriële schadevergoeding toe te kennen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de aanvraag voor planschadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht.