AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Weigering en tenuitvoerlegging van Europees aanhoudingsbevel wegens strafuitvoering en verblijfsrecht
De rechtbank Amsterdam behandelde op 29 maart 2023 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten tegen een Poolse man geboren in 1996. Het EAB betrof twee vonnissen met vrijheidsstraffen van zes maanden en twee jaar, waarvan nog respectievelijk vijf maanden en 27 dagen en één jaar, negen maanden en 16 dagen resteren.
De rechtbank weigerde de overlevering voor het eerste vonnis (zes maanden) op grond van artikel 12 OverleveringswetPro (OLW), omdat de verdachte niet in persoon was verschenen bij het proces en geen garantie was gegeven dat zijn verdedigingsrechten waren gewaarborgd. De verdediging stelde dat de verdachte niet op de hoogte was van de zitting, hetgeen door het Openbaar Ministerie werd betwist, maar de rechtbank volgde de verdediging.
Voor het tweede vonnis (twee jaar) werd de overlevering geweigerd op grond van artikel 6a OLW, omdat de verdachte ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verbleef en de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland kon worden overgenomen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte duurzaam verblijfsrecht had verworven en dat de straf niet onverenigbaar was met Nederlands recht. De rechtbank beval de tenuitvoerlegging van deze straf in Nederland en de gevangenhouding tot aan de uitvoering.
De uitspraak is gedaan door drie rechters op 12 april 2023 en is niet vatbaar voor gewoon rechtsmiddel.
Uitkomst: De rechtbank weigert gedeeltelijk de overlevering en beveelt de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/030139-23 (EAB 2)
Datum uitspraak: 12 april 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 2 februari 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 1 oktober 2018 door the Regional Court in Warsaw(Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1996,
verblijvende op het adres: [adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1.Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 29 maart 2023. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. L.M.M. van Eijsden, advocaat in Den Haag en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een
a/ judgement of -District Court in Ostrolęka of 5.10.2015, files no II K 514/15, enforced on 3.11.2015;
b/ judgement of District Court in Siedlce of 17.03.2015, files no VII K 789/14, enforced on 25.03.2015.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van
-a/ 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 5 maanden en 27 dagen;
-b/ 2 jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1 jaar, 9 maanden en 16 dagen.
De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnissen.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLWPro
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot vonnis b heeft geleid. Artikel 12 OLWPro is ten aanzien van dit vonnis dan ook niet van toepassing.
De rechtbank stelt vast dat het EAB ten aanzien van vonnis a strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Evenmin is een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLWPro worden geweigerd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw vindt dat de overlevering voor vonnis a dient te worden geweigerd. Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de zitting en daarbij de adresinstructie heeft gekregen. Uit het EAB blijkt dat de dagvaarding niet kon worden betekend aan de opgeëiste persoon. Dat hij op de hoogte was van de zitting blijkt nergens uit.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dient te worden afgezien van weigering op grond van artikel 12 OLWPro. In het EAB staat onder onderdeel d) onder 1. vermeld dat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen. De officier van justitie gaat ervan uit dat dit tijdens het vooronderzoek is gebeurd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
In de passage in het EAB waarnaar de officier van justitie verwijst staat vermeld dat:
“the person concerned was not summoned in person but by other mode he was officially notified upon the date, time and place of the trial when a judgement was supposed to be issued and he acknowledged the scheduled trialand he was clearly instructed that the judgement would be issued if he failed to appear at the trial.
(…)
The summons for the convict was not delivered, it was returned notified twice.”
De rechtbank is van oordeel dat hieruit niet blijkt dat de opgeëiste persoon in het voorbereidend onderzoek een adresinstructie heeft ontvangen. De in het EAB genoemde ‘instructie’ is vermeld in het licht van de oproep voor de zitting en ziet uitsluitend op de omstandigheid dat ook vonnis kan worden gewezen als de opgeëiste persoon niet ter zitting verschijnt. Andere informatie over een adresinstructie in het voorbereidend onderzoek heeft de rechtbank niet aangetroffen.
Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom in de onderhavige situatie ten aanzien van de procedure die heeft geleid tot vonnis a niet worden vastgesteld dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert.
5.Strafbaarheid
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten onder vonnis b leveren naar Nederlands recht op:
- feiten b, i t/m k en m: telkens poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
- feiten c t/m f, h en n t/m r: telkens diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
- feit g: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
- feit a: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd.
6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
Ruim voor de zitting heeft de raadsvrouw van de opgeëiste persoon uitgebreide en goed gedocumenteerde bescheiden aan de rechtbank en de officier van justitie doen toekomen ter onderbouwing van ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de opgeëiste persoon vindt dat is voldaan aan de eerste voorwaarde. Uit de overgelegde stukken blijkt dat is voldaan aan de inkomenseis. Doordat de opgeëiste persoon voor uitzendbureaus heeft gewerkt, heeft hij zich niet kunnen inschrijven. De verdediging heeft er daarom voor gekozen om bankafschriften bij te voegen waaruit het continue verblijf in Nederland kan worden afgeleid. Hij heeft bijna dagelijks in Nederland gepind en ook het storten van salaris is op de afschriften terug te vinden.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie vindt dat niet is voldaan aan de eerste voorwaarde. De opgeëiste persoon was niet in Nederland ingeschreven, maar heeft steeds kortere periodes verbleven in aan uitzendbureaus gekoppelde woningen. Bovendien zijn poststukken gericht aan een adres in Polen. Daarbij komt dat de verschillende huurovereenkomsten niet aaneengesloten zijn, er zitten telkens een aantal maanden tussen. Hetzelfde geldt voor de zorgverzekering.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Het is een feit van algemene bekendheid dat Poolse arbeidskrachten in dienst bij uitzendbureaus zich niet in Nederland kunnen inschrijven. Daadwerkelijk verblijf in Nederland kan echter ook op andere wijzen worden aangetoond. Gelet op de salarisoverzichten en bankgegevens, gecombineerd met het gemiddeld aantal gewerkte uren dat valt af te leiden uit de overzichten van het UWV, kan worden geconcludeerd dat de opgeëiste persoon, zoals hij zelf ter zitting heeft aangegeven, het merendeel van de tijd in Nederland moet hebben verbleven.
Aan de eerste voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de ter zitting overgelegde brief van de IND van 21 maart 2023 en een e-mailbericht van 28 maart 2023, volgt dat de strafrechtelijke feiten er niet toe zullen leiden dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest.
Ook aan deze voorwaarde is voldaan.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen
In vonnis b opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf.
Uit de hiervoor onder 5 weergegeven Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgen. De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht.
Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de in vonnis b opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. Zij is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW voor dat vonnis te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf, voor zover deze niet ziet op vonnis a, in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.
7.Slotsom
De rechtbank stelt vast dat met betrekking tot vonnis a de weigeringsgrond van artikel 12 OLWPro van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering ten aanzien van dat vonnis geweigerd.
De rechtbank stelt ten aanzien van vonnis b vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
8.Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 45 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a, 7 en 12 OLW.
9.Beslissing
WEIGERTde overlevering van [opgeëiste persoon] voor zover het EAB betrekking heeft op vonnis a.
WEIGERTde overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Warsaw(Polen) voor zover het EAB betrekking heeft op vonnis b.
BEVEELTde tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf ten aanzien van vonnis b in Nederland.
HEFT OPde overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] .
BEVEELTde gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. R. Godthelp en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 12 april 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.