ECLI:NL:RBAMS:2023:242

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 januari 2023
Publicatiedatum
24 januari 2023
Zaaknummer
13/283851-22
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6a OLWArt. 7 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering en overname tenuitvoerlegging gevangenisstraf Nederland

De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering tot overlevering op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Landgericht Heidelberg. De opgeëiste persoon, met de Nederlandse en Turkse nationaliteit, werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar en zes maanden en plaatsing in een ontwenningskliniek.

De rechtbank onderzocht de strafbaarheid van het feit volgens Nederlands recht en concludeerde dat dubbele strafbaarheid is gegeven. Vervolgens beoordeelde de rechtbank de weigeringsgrond van artikel 6a Overleveringswet (OLW), die overlevering kan weigeren indien de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland kan worden overgenomen.

Na overleg met Duitse autoriteiten en interpretatie van de sancties oordeelde de rechtbank dat de opgeëiste persoon in Duitsland één van de twee sancties moet ondergaan, maar dat de plaatsing in een ontwenningskliniek niet in Nederland kan worden uitgevoerd. De rechtbank besloot daarom de overlevering te weigeren en de resterende gevangenisstraf in Nederland te laten uitvoeren, inclusief het bevel tot gevangenhouding tot aan de tenuitvoerlegging.

De uitspraak is definitief en er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering en beveelt de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/283851-22
RK nummer: 22/4758
Datum uitspraak: 25 januari 2023
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 10 november 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 14 oktober 2022 door het
Landgericht Heidelberg(Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 11 januari 2023. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. G.P. Sholeh. De opgeëiste persoon is bijgestaan door haar raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat zij de Nederlandse en Turkse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt onder meer melding gemaakt van:
- een onherroepelijk vonnis van 28 oktober 2020 van het
Landgericht Heidelberg(referentie: 2 KLs 400 Js 12098/20).
In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid.
In het EAB staat vermeld dat bij het vonnis aan de opgeëiste persoon is opgelegd:
  • een gevangenisstraf van vier jaar en zes maanden;
  • plaatsing in een ontwenningskliniek,
en dat hiervan resteren:
  • 855 dagen gevangenisstraf;
  • 1.039 dagen plaatsing in een ontwenningskliniek.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de hiervoor genoemde gevangenisstraf en plaatsing in een ontwenningskliniek.
Het vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4.Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Overlevering van een Nederlander, zoals de opgeëiste persoon, kan ingevolge artikel 6a, eerste lid, OLW worden geweigerd indien deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een haar bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Duitsland
opgelegde vrijheidsstraf en plaatsing in een ontwenningskliniek kan worden overgenomen. De raadsvrouw heeft in dit verband de officier van justitie bij e-mail van 2 januari 2023 gevraagd navraag te doen bij het
Staatsanwaltschaft Heidelbergover de resterende straf voor de opgeëiste persoon. Het
Staatsanwaltschaft Heidelbergheeft bij e-mail van 3 januari 2023 het volgende meegedeeld:
“The penalty time calculation in the EAW is correct. Should, as in the case at hand, the therapy in the rehab clinic be discontinued, the files would be submitted to the competent court for a decision. The court will declare the placement in a rehabilitation centre to be terminated if there is no sufficiently concrete prospect of successful treatment. In this case, the execution of the remaining prison sentence would be ordered, in the present case 855 days minus the time the convicted person spent in custody in the Netherlands on the occasion of extradition.
If, on the other hand, the competent court does not declare the placement in the detention centre to be completed, it would be continued, at the longest for a period of 1039 days.
Whether 855 days or 1039 days are to be executed depends on the decision of the competent court.
In the case of extradition of the convicted person to Germany, she would first be admitted to the rehabilitation centre. Then the files would be submitted to the court for a decision. In the case of a declaration of discharge, the convicted person would then be transferred to a prison.”
De raadsvrouw heeft deze informatie zo uitgelegd dat de opgeëiste persoon óf de gevangenisstraf óf de plaatsing in de ontwenningskliniek moet ondergaan.
De officier van justitie heeft deze informatie zo uitgelegd dat de opgeëiste persoon nog een gevangenisstraf van 855 dagen, met aftrek van de overleveringsdetentie, moet ondergaan en dat plaatsing in een ontwenningskliniek zoals voorzien in het Duitse vonnis in Nederland niet aan de orde is.
De rechtbank oordeelt als volgt.
De opgeëiste persoon zal in Duitsland één van de twee sancties moeten ondergaan.
De rechtbank stelt voorop dat zij gelet op artikel 6a lid 2 onder a van de Overleveringswet jo artikel 2:13 lid 1 aanhef Pro en onder h van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS) overname van de opgelegde maatregel zal weigeren. De rechtbank neemt daarom de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf over.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van (het restant van) de opgelegde vrijheidsstraf.
Uit de hiervoor onder 4 weergegeven Nederlandse kwalificatie volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum overstijgt. De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van (het restant van) de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. Zij is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van (het restant van) die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.

6.Slotsom

Nu is vastgesteld dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is en de rechtbank geen aanleiding ziet om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond als hiervoor overwogen, dient de overlevering te worden geweigerd.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en 2, 5, 6a en 7 van de OLW en artikel 2:13 WETS Pro..

8.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het
Landgericht Heidelberg(Duitsland).
BEVEELTde tenuitvoerlegging van (het restant van) de in rubriek 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland..
HEFT OPde overleveringsdetentie van
[opgeëiste persoon] .
BEVEELTde gevangenhouding van
[opgeëiste persoon]tot aan de tenuitvoerlegging van (het restant van) de vrijheidsstraf.
Aldus gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. J.P.W. Helmonds en J.H. Beestman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 25 januari 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.