De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek van de vrouw om voorlopige voorzieningen te treffen voor partner- en kinderalimentatie na ontbinding van het huwelijk en inschrijving van de echtscheiding in de burgerlijke stand. Partijen wonen echter nog noodgedwongen samen in de voormalige echtelijke woning, waarbij de man alle noodzakelijke kosten draagt.
De vrouw vordert een maandelijkse bijdrage van de man voor de verzorging en opvoeding van het minderjarige kind en voor haar levensonderhoud, onder verwijzing naar haar huidige financiële afhankelijkheid en verblijfsrechtelijke beperkingen. De man betwist het verzoek en stelt dat er geen sprake is van een duurzame scheiding omdat zij nog samenwonen en hij alle kosten draagt.
De rechtbank oordeelt dat de vrouw onvoldoende spoedeisend belang heeft bij de voorlopige voorzieningen, nu zij de afloop van de bodemprocedure kan afwachten en de feitelijke situatie van gezamenlijk wonen voortduurt. De vrouw wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.