2.5.Verdeling
2.5.1.De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de tussen de partijen bestaande wettelijke beperkte gemeenschap van goederen wordt verdeeld op de door haar voorgestelde wijze.
2.5.2.De man heeft verweer gevoerd.
Wettelijke beperkte gemeenschap van goederen
2.5.3.Partijen waren gehuwd in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen. Dit houdt in dat in de huwelijksgemeenschap vallen de goederen die na 17 juli 2019 zijn verkregen en de schulden die na 17 juli 2019 zijn ontstaan. Daarnaast behoren tot de huwelijksgemeenschap de goederen en schulden die voor 17 juli 2019 reeds gemeenschappelijk waren.
2.5.4.De peildatum voor de omvang en samenstelling van de te verdelen huwelijksgemeenschap is de datum waarop het echtscheidingsverzoek bij de rechtbank is ingediend, te weten 15 juni 2022. De peildatum voor de waardering van de goederen is de datum waarop de verdeling plaatsvindt, namelijk een datum zo dicht mogelijk bij deze beschikking gelegen. De hoogte van de banksaldi en schulden wordtbepaald per het tijdstip waarop de huwelijksgemeenschap wordt ontbonden, 15 juni 2022.
2.5.5.Uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat er een geschil bestaat over de volgende vermogensbestanddelen:
goederen
de woning aan de [adres] te Kudelstaart;
contant geld;
bankrekeningen;
e inboedel;
schulden
de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening;
De woning en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening
2.5.6.Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen afgesproken dat de vrouw een termijn van drie maanden krijgt om te onderzoeken of zij de woning voor een bedrag van € 715.000,- over kan nemen onder ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening en betaling aan de man van de helft van de overwaarde. Indien de vrouw daar niet toe in staat is zal de woning dienen te worden verkocht.
2.5.7.Gelet op het voorgaande zal de rechtbank voor wat betreft de toedeling van de woning als volgt beslissen. De vrouw krijgt tot drie maanden na deze beschikking de tijd om te onderzoeken of zij de woning tegen een waarde van € 715.000,- kan financieren onder ontslag van de hoofdelijke aansprakelijkheid van de man uit de hypothecaire geldlening en met vergoeding aan de man van de helft van de overwaarde. In het geval de vrouw zich binnen drie maanden na deze beschikking jegens de man schriftelijk bereid en in staat verklaart zijn aandeel in de woning over te nemen, zal de woning één maand nadat de vrouw de man heeft bericht aan haar worden toegedeeld, onder de verplichting van de vrouw aan de man de helft van de overwaarde uit te keren, uiterlijk ter gelegenheid van het transport bij de notaris, en hem tevens te vrijwaren voor eventuele hypothecaire verplichtingen; de kosten van het transport komen voor rekening van beide partijen, ieder voor de helft. In het geval de vrouw zich niet uiterlijk binnen drie maanden na de datum van deze beschikking jegens de man schriftelijk bereid en in staat verklaart zijn aandeel in de woning over te nemen, zal de rechtbank als wijze van verdeling gelasten dat de woning moet worden verkocht en geleverd aan een derde, waarbij de opbrengst, onder aftrek van de hypothecaire schuld, aan partijen ieder voor de helft toekomt; de eventuele kosten van de verkoop en het transport komen voor rekening van beide partijen, ieder voor de helft. Partijen zullen in dat geval daartoe opdracht geven aan de makelaar die de woning heeft getaxeerd, te weten Makelaarskantoor Mantel.
Daarvoor zal een vergelijkbaar “spoorboekje” worden meegeven als waartoe in de uitspraak van het hof Den Haag van 28 januari 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2015:128) is gekomen. 2.5.8.De vrouw heeft gesteld dat de man beschikt over een bedrag van ongeveer € 100.000,- in contanten. De vrouw heeft dit samen met haar zus in de echtelijke woning, toen partijen nog samen waren, geteld. Zij heeft als bewijs van haar stelling een foto met een krant van 8 april 2022 overgelegd waarop diverse bankbiljetten van € 100,- en € 50,- zichtbaar zijn. Ook heeft zij een verklaring van haar zus overgelegd die verklaart dat zij en de vrouw op 8 april 2022 gezamenlijk het contante geld hebben geteld en dat zij op een bedrag van circa € 100.000,- kwamen. De vrouw heeft gesteld dat dit geld tot de huwelijksgemeenschap behoort en dat haar € 50.000,- toekomt. De vrouw heeft aangeboden haar zus onder ede te laten horen.
2.5.9.De man heeft weersproken dat het contante geld tot de huwelijksgemeenschap behoort. De man heeft ook zijn twijfels bij de verklaring van de zus van de vrouw, omdat in de voorlopige voorzieningenprocedure deze verklaring er nog niet was en nu een jaar na dato is opgesteld. De man heeft wel erkend dat er contanten in de woning aanwezig waren, maar hij heeft betwist dat hij dit geld tijdens de huwelijkse periode heeft ontvangen. De man heeft gesteld dat hij in de periode 2008 tot en met 2017 naast zijn baan in loondienst zelf een handel dreef. In 2018 is zijn BV opgericht en vanaf dat moment liep zijn handel via die BV. De man heeft ook betwist dat het om een bedrag van € 100.000,- gaat. Volgens de man heeft hij bij het vertrek uit de woning het volledige bedrag van € 30.000,- aan contant geld meegenomen.
2.5.10.De rechtbank overweegt dat de vrouw tegenover de gemotiveerde betwisting door de man onvoldoende heeft gesteld om tot het oordeel te kunnen komen dat het contante geld pas na het huwelijk van partijen door de man is ontvangen en niet, zoals door de man is gesteld, voor het huwelijk. Daarom kan niet worden geoordeeld dat het contante geld behoort tot de huwelijksgemeenschap. De rechtbank gaat voorbij aan het bewijsaanbod van de vrouw. Immers, ook al zou het zo zijn dat er op 8 april 2022 € 100.000,- in contanten in de woning aanwezig was, dan leidt dit nog niet tot het oordeel dat dit bedrag tot de huwelijksgemeenschap behoort en dan voor verdeling in aanmerking komt.
2.5.11.Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt dat zij twee bankrekeningen heeft bij de Rabobank heeft. De bankrekening met rekeningnummer [bankrekening 1] had op de huwelijksdatum een negatief saldo van € 460,17 debet en op de peildatum een negatief saldo van € 131,15. Het saldo is derhalve gedurende het huwelijk met een bedrag van € 329,02 toegenomen. De man komt een bedrag toe van € 165,51.
De bankrekening met rekeningnummer [bankrekening 2] had op de huwelijksdatum een saldo van € 5.045,29 en op de peildatum een saldo van € 5.726,74. Het saldo is toegenomen met € 681,45. De man komt een bedrag toe van € 340,72.
2.5.12.De man heeft twee bankrekeningen bij de ING Bank. De bankrekening met rekeningnummer [bankrekening 3] had op de huwelijksdatum een saldo van € 628,41 en op de peildatum een saldo van € 26.252,- In het saldo is een bedrag van € 27.235,- begrepen wat de man als (deel van de) transitievergoeding heeft ontvangen. De rechtbank volgt de man in zijn standpunt dat dit niet in de verdeling dient te worden betrokken nu hiermee rekening wordt gehouden bij de berekening van zijn draagkracht. Dit betekent dat wordt uitgegaan van een ontstaannegatief saldo van € 1.611,41. De vrouw dient de man € 805,71 te vergoeden.
2.5.13.De bankrekening van de man met rekeningnummer [bankrekening 4] had op de huwelijksdatum een saldo van € 14.503,-. Op de peildatum had deze banrekening een saldo van € 40.000,-. Daarin is een bedrag van € 15.500,- afkomstig uit de transitievergoeding begrepen. Dit betekent, nu geen rekening wordt gehouden met de transitievergoeding, van ene positief saldo van € 24.500,- wordt uitgegaan. Het saldo is toegenomen met een bedrag van € 9.997,-. De helft daarvan, € 4998,50 komt de vrouw toe.
Gelet op het voorgaande dient de man in het kader van de verdeling van de banksaldi € 3.686,56 aan de vrouw te betalen.
2.5.14.De vrouw heeft verzocht de inboedel conform de door haar overgelegde lijst te verdelen. De door de man overgelegde aankoopbonnen staan weliswaar op naam van de man, maar partijen hebben deze inboedelgoederen gezamenlijk aangekocht. Volgens de vrouw zijn de goederen die de man al bezat voor het huwelijk op de lijst aan de man toegedeeld.
2.5.15.De man heeft betwist dat de inboedel verdeeld moet worden. Volgens de man kwam de vrouw in een volledig ingericht huis en zijn er gezamenlijk alleen een paar spulletjes gekocht. De inboedel behoort niet tot de huwelijksgemeenschap aldus de man.
2.5.16.De rechtbank overweegt als volgt. Uit de door de man overgelegde bonnetjes kan de rechtbank niet afleiden op welke goederen deze betrekking hebben. Bovendien zijn ook niet van alle inboedelgoederen bonnen overgelegd. Het gevolg daarvan is dat de rechtbank niet kan vaststellen welke goederen al dan niet tot de huwelijksgemeenschap behoren. Uit artikel 1:94, lid 8 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat als er een geschil bestaat tussen echtgenoten aan wie van hen beiden een goed toebehoort en geen van beiden zijn recht op dit goed kan bewijzen, dit goed dan als gemeenschapsgoed wordt aangemerkt. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank de inboedel conform de door de vrouw overgelegde en aan deze beschikking gehechte lijst zal verdelen.