ECLI:NL:RBAMS:2023:2753

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 april 2023
Publicatiedatum
1 mei 2023
Zaaknummer
1303750823
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks verweer medische situatie

De rechtbank Amsterdam behandelde op 12 april 2023 het verzoek tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Bonn. De verdachte werd verdacht van betrokkenheid bij een dodelijk geweldsdelict. De verdediging voerde aan dat het EAB onvoldoende onderbouwd was en dat de medische situatie van de verdachte een humane reden vormde om overlevering te weigeren.

De rechtbank oordeelde dat het EAB voldoende gegevens bevatte over het strafbare feit, de rol van de verdachte en de naleving van het specialiteitsbeginsel, en dat de beoordeling van de verdenking niet tot het takenpakket van de overleveringsrechter behoort. Tevens werd vastgesteld dat het strafbare feit op de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet staat, waardoor dubbele strafbaarheid niet hoeft te worden onderzocht.

De rechtbank accepteerde de garantie van de Duitse autoriteiten dat bij veroordeling de straf in Nederland kan worden uitgezeten. Het verweer dat de medische situatie van de verdachte een reden tot weigering van overlevering zou zijn, werd verworpen omdat de Overleveringswet en het Europese kaderbesluit dit niet toestaan en er geen objectieve medische gegevens waren die een manifest gevaar voor de gezondheid aantoonde.

Daarmee voldeed het EAB aan alle wettelijke eisen en stonden geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg. De rechtbank besloot de overlevering toe te staan en wees het verzoek om uitstel of schorsing af.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Duitsland toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/037508-23
Datum uitspraak: 26 april 2023
UITSPRAAK
op de vordering van de officier van justitie van 10 februari 2023 bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 augustus 2022 door het
Amtsgericht Bonn(Duitsland) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[geboortedag] ,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 12 april 2023. Het Openbaar Ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diependaal, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door haar raadsman,
mr. M. Landsman, advocaat in Utrecht.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel voor voorlopige hechtenis dat is uitgevaardigd door het Amtsgericht Bonn van datum 8 augustus 2022 met dossiernummer 51 Gs 1626/22.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Genoegzaamheid
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB niet genoegzaam is.
Op geen enkele wijze is de betrokkenheid van de opgeëiste persoon onderbouwd, anders dan dat zij ervan verdacht wordt als dader betrokken te zijn bij de dood van [slachtoffer] . Ook bevat het EAB geen enkele verwijzing naar hoe deze verdenking tot stand is gekomen.
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een genoegzaam EAB. Uit de feitomschrijving volgen de pleegplaats, pleegdatum, de rol van de opgeëiste persoon – in het A-formulier, behorende bij het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon als dader wordt aangemerkt – de beschrijving van het feit waarbij het slachtoffer om het leven is gebracht en de wijze waarop dat is gebeurd. Naar het oordeel van de rechtbank is het specialiteitsbeginsel dan ook voldoende gewaarborgd.
Voor zover door de verdediging is betoogd dat onvoldoende duidelijk is waarop de uitvaardigende justitiële autoriteit de verdenking tegen de opgeëiste persoon baseert, overweegt de rechtbank dat die eis door artikel 2 OLW Pro niet wordt gesteld. Het is ook vaste rechtspraak dat de overleveringsrechter niet in de beoordeling van de gronden van de verdenking treedt.
De rechtbank verwerpt het verweer.

4.Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 14, te weten:
moord en doodslag, zware mishandeling
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Haar overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat zij, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De Leidinggevende Hoofdofficier van Justitie in Bonn heeft in de brief van 13 februari 2023 de volgende garantie ten behoeve van de opgeëiste persoon gegeven:
“Er wordt verzekerd dat de vervolgde persoon in geval van een onherroepelijke veroordeling in de Bondsrepubliek Duitsland op grond van de huidige versie van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie voor de verdere strafvoltrekking naar Nederland wordt teruggezonden.”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.Overige verweren

De feitelijke overlevering als bedoeld in artikel 35 OLW Pro

De raadsman heeft verzocht om uitstel van de feitelijke overlevering dan wel om de behandeling van de vordering te schorsen, teneinde nader onderzoek te laten verrichten naar de psychische gesteldheid van de opgeëiste persoon en zodoende vast te stellen of er ernstige humanitaire redenen bestaan die aan de feitelijke overlevering in de weg staan.
Het is op grond van Kaderbesluit 2002/584/JHA en de OLW niet mogelijk de overlevering te weigeren vanwege de medische situatie van de opgeëiste persoon. [4]
De rechtbank verwerpt daarom het verweer en wijst het verzoek om de behandeling van de vordering aan te houden af. De rechtbank overweegt verder dat beslissingen omtrent de feitelijke overlevering (artikel 35, derde lid, OLW) pas kunnen worden genomen, nadat de overlevering is toegestaan. De rechtbank merkt in dit kader overigens op dat objectieve gegevens, zoals medische rapportages over de medische gesteldheid van de opgeëiste persoon die duiden op een manifest gevaar voor de gezondheid van de opgeëiste persoon als hij zou worden overgeleverd, ontbreken.
De rechtbank verwerpt het verweer en wijst het verzoek om de behandeling van de vordering aan te houden af. De rechtbank overweegt verder dat beslissingen omtrent de feitelijke overlevering pas kunnen worden genomen, nadat de overlevering is toegestaan.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering
[opgeëiste persoon]aan
Amtsgericht Bonn(Duitsland) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. L. Sanders en J.H. Beestman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 26 april 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Vergelijk Hof van Justitie van de Europese Unie, 18 april 2023, ECLI:EU:C:2023:295, r.o. 35 e.v.)