Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Verloop van de procedure
2.De feiten en het verzoek
In deze kwestie is ook de wijze waarop het getuigenverhoor is beëindigd een aanvullend bezwaar.”
Rechtbank Amsterdam
Verzoekers, gedaagde partij in meerdere gelijktijdige procedures, dienden een wrakingsverzoek in tegen kantonrechter M. van Walraven. Zij stelden dat sprake was van een schijn van partijdigheid en ongelijke behandeling, onder meer vanwege het buiten beschouwing laten van brieven, het doorgaan van een mondelinge behandeling ondanks een doktersverklaring, en schending van het recht op hoor en wederhoor.
De wrakingskamer beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 36 Rv Pro, waarbij de rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn tenzij het tegendeel is bewezen. De kamer stelde vast dat er geen concrete feiten of omstandigheden waren aangevoerd die de onpartijdigheid van de rechter konden aantasten. Het bezwaar over de mondelinge behandeling betrof een procesrechtelijke beslissing en was daarom niet-ontvankelijk.
Op basis hiervan wees de wrakingskamer het verzoek af. De beslissing werd uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 2 mei 2023 en is niet vatbaar voor beroep of hoger beroep.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen kantonrechter Van Walraven wordt afgewezen wegens gebrek aan concrete feiten die onpartijdigheid aantasten.